NIEUWSBRIEF

NIEUWSBRIEF

 

 

Wij hebben deze nieuwsbrief zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Wij aanvaarden geen  aansprakelijkheid voor onjuiste of onvolledige informatie. Niets uit deze uitgave mag zonder onze toestemming worden overgenomen

 

 

 

Nieuwsbrief Januari 2019

 

 

1.Tarieven Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen 2019, en heffingskortingen.

 

Men wil van het 4 schijven stelsel gaan naar een 2 schijven stelsel in 2021. Vooruitlopend hierop wordt in 2019 en de opvolgende jaren het tarief in de 1e schijf steeds verhoogd en de 2e  en 3e  schijf steeds verlaagd. Het tarief in de 1e  schijf gaat met 0,10% omhoog, de tarieven in de 2e  en 3e  schijf gaan met 2,75% omlaag. Het tarief in de 4e schijf gaat met 0,20% omlaag.

 

Nu lijkt het erop dat we minder belasting gaan betalen in 2019, maar de snellere afbouw van de arbeidskorting, de verhoging van het laagste btw tarief van 6 % naar 9 %, de toename van andere belastingen, met name energiebelasting zorgen ervoor dat dit voordeel weer tenietgedaan wordt. Ook de pensioenpremies en premies voor de zorgverzekeringswetten stijgen behoorlijk. In de koopkrachtplaatjes van het kabinet, die zogenaamd gunstig zouden zijn, werd uitgegaan van een loonsverhoging. De verhoging van de energiekosten werden hierin niet meegenomen.

 

Overzicht aanpassing tarieven

 

Geheel jaar jonger dan de AOW-leeftijd:

Tarief 1 t/m € 20.384 (was € 20.142)36,65% (was 36,55%)

Tarief 2Vanaf € 20.385 t/m € 34.300 (was € 20.143 t/m € 33.994)38,10% (was 40,85%

Tarief 3Vanaf € 34.300 t/m € 68.507 (was € 33.995 t/m € 68.507)38,10% (was 40,85%

Tarief 4Vanaf € 68.508 (was € 68.508) en hoger51,75% (was 51,95%)

 

Overzicht aanpassing heffingskortingen

Maximale algemene heffingskorting: € 2.477(was € 2.265) Afbouw heffingskorting met 5,147% voor inkomen boven € 20.384. (was 4,683% boven € 20.143) Afbouw tot € 0.

Maximale arbeidskorting: € 3.249 (was €3.223 )Opbouw tot inkomen van € 34.300, Afbouw 6% voor inkomen boven  € 34.300 (Afbouw was 3,6% voor inkomen boven € 33.112) Afbouw tot € 0.

Maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting:€ 2.835 (was € 2.801) Opbouw 11,45 % bij inkomen vanaf € 4.993 (was 6,159% bij inkomen vanaf € 4.934 en instapbedrag van € 1.052).

 

De Inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) heeft vanaf 2019 geen vast instapbedrag meer (was € 1.052). Deze € 1.052 kreeg je als je een inkomen had boven de € 4.934. Nu moet deze korting geheel opgebouwd worden. Meer korting bij meer inkomen. Vooral degene met kleine inkomens krijgen dan ook tot € 1.052 minder inkomensafhankelijke combinatiekorting.

 

Voor geheel jaar AOW gerechtigden:

- De tarieven Inkomstenbelasting 2019 schijf 1: 18,75% (was 18,65%) en schijf 2: 20,20% (was 22,95%), schijf 3 en 4 zijn hetzelfde als niet AOW gerechtigden. *) De 2e belastingschijf voor een AOW gerechtigde geboren voor 1 januari 1946 loopt tot € 34.817

- De Algemene Heffingskorting bedraagt € 1.268 (was € 1.157) en minimaal € 0

- De Ouderenkorting bedraagt € 1.418 (was € 1.596) bij een inkomen tot € 36.783 (was € 36.346) daarna afbouw met 15% tot € 0 (was: geen afbouw, verviel geheel, maar minimaal € 72)

 

Voor diegene die in 2019 de AOW leeftijd bereiken gelden andere tarieven en bedragen.

 

 

 

2. Buitenlands belastingplichtige werknemers, heffingskortingen en loonheffingskortingen.

 

Ben je niet woonachtig in Nederland, maar werk je in Nederland in een dienstbetrekking, dan gaat er met ingang van 2019 iets veranderen.

 

In Nederland werkende werknemers betalen normaal gesproken inkomstbelasting én premies volksverzekering. Dit zit verwerkt in de tarieven van de belastingschijven. Van de berekende inkomstenbelasting en premies volksverzekering gaan de heffingskortingen af. Heffingskortingen bestaan uit een belastingdeel (korting voor inkomstenbelasting) en een premiedeel (korting voor de premies volksverzekering).

 

Als je als hebt aangegeven dat er bij salarisbetaling rekening gehouden moet worden met de loonheffingskortingen, dan wordt er bij de uitbetaling rekening gehouden met de gehele algemene heffingskorting (AHK) en de gehele arbeidskorting (AK).

Vanaf 2019 wordt, voor de in het buitenland woonachtige werknemers, met uitzondering van de in België wonende werknemers, niet meer met de gehele algemene heffingskorting rekening gehouden bij de loonuitbetaling. Slechts nog met het premiedeel van deze heffingskorting wordt rekening gehouden. Woon je buiten de EER, Zwitserland en BES eilanden, dan geldt dit ook voor de arbeidskorting, ook hiervan raak je dan bij de loonuitbetaling een deel kwijt.

 

Woon je bijvoorbeeld in Duitsland en ben je een, in Nederland werkende werknemer, dan daalt je netto maandloon als gevolg van deze maatregel. Maar ben je wel een zogenaamd kwalificerende buitenlands belastingplichtige (meer dan 90% van het inkomen is dan afkomstig uit Nederland) dan krijg je dit gedeelte van de heffingskorting alsnog door het doen van aangifte inkomstenbelasting in Nederland.

 

Woon je in Engeland en ben je een in Nederland werkende werknemer, dan verlies je per 1 januari het belastingdeel van de algemene heffingskorting bij de salarisbetaling, én, zoals het er nu uitziet, per 29 maart ook het belastingdeel van de arbeidskorting, omdat je geen EU burger meer bent, en Engeland behoort dan ook waarschijnlijk niet tot de EER.

 

De werkgever is verantwoordelijk voor de juistheid van het inwonerschap. Een postadres, of tijdelijk adres in Nederland is niet genoeg voor binnenlandse belastingplicht. Waar de werknemer daadwerkelijk woont, bepaald het inwonerschap. Zet het buitenlands woonadres op de loonstrook. (Niet een eventueel tijdelijk Nederlands woonadres). In geval van twijfel kan duidelijkheid omtrent de fiscale woonplaats met een woonplaatsverklaring verkregen worden. Deze wordt afgegeven door de belastingdienst van het woonland.

 

 

3. Lagere aftrek kosten eigen woning en andere aftrekposten voor belastingplichtigen in het hoogste belastingtarief. (inkomen boven                        € 68.508)

 

Ingevolge een eerder genomen maatregel is de aftrek kosten eigen woning niet meer tegen het hoogste belastingtarief mogelijk (51,75%). Jaarlijks werd het tarief voor de teruggaaf met 0,5 % verminderd. In 2019 geldt maximaal 49%. Vanaf 2020 wordt dit jaarlijks met 3% verminderd tot het basistarief (basis tarief wordt, zoals het er nu naar uitziet, 37,5%). Vanaf 2020 gaat dit ook gelden voor andere aftrekken. Ondernemersaftrekken (zelfstandigenaftrek enz.), MKB winstaftrek, TBS- aftrek (ter beschikkings stellen), en PGA aftrek (persoonsgebonden aftrek, zoals aftrek giften en aftrek ziektekosten).

 

 

 4. Geen verandering van netto maand inkomen door ziekmelding, indien geen lopende arbeidsovereenkomst.

 

Als je voor 2019 een WW uitkering ontving en je door ziekmelding in de ziektewet kwam, dan werd het netto maandbedrag meestal hoger, omdat bij de ziektewetuitkering rekening gehouden werd met de arbeidskorting en bij de WW uitkering niet. Vanaf 2019 wordt er geen arbeidskorting meer toegepast bij overgang naar de ziektewet vanuit de WW. Het netto maand bedrag blijft dan gelijk. Op de reeds ingegane ziektewetuitkeringen blijft de arbeidskorting wel van toepassing.

 

Ook als je bij een werkgever tijdens ziekte uit dienst gaat, door afloop van het arbeidscontract, en je niet in de WW maar in de ziektewet terechtkomt, zal de arbeidskorting niet meer toegepast worden. Dit geldt alleen niet voor ziekte tijdens en door zwangerschap.

 

 

5. Box III heffing in 2019.

 

Tarief box III wordt 30 % (was 30%). Belasting over forfaitair rendement. Het belastingvrij vermogen wordt € 30.360 per belastingplichtige.(was € 30.000)

 

Forfaitair rendement:

Schijf 1: tot € 71.650. 1,935% (was:2,017% tot € 70.800)

Schijf 2: van € 71.651 tot € 989.736: rendement 4,451% (was 4,326% van € 70.800 tot en met

 € 978.000)

Schijf 3: Boven de € 989.737 rendement 5,60% (was 5,38% boven € 978.001)

 

Dit geld per belastingplichtige. Als fiscale partners samen minder dan € 204.020 vermogen hebben, dan blijven ze in de 1e  schijf.

 

 

6. Tarief Vennootschapsbelasting 2019, box II belasting en beperking verlies verrekening.

 

Het vennootschapsbelasting tarief 2019 wordt, voor winsten tot aan € 200.000, 19% (was 20%), daarboven 25% (was 25%). Het is de bedoeling dat in de volgende jaren de tarieven verder dalen. Tegelijkertijd gaat het tarief in box II (belasting over dividenduitkeringen aan de aanmerkelijk belanghouder, en de resultaten verkoop aanmerkelijk belang aandelen) steeds omhoog. Voor 2020 wordt het tarief 26,25% (was 25%). Aanmerkelijk belang is aanwezig bij een bezit van 5% of meer van aandelen in een onderneming (direct of indirect). De aandelen van de fiscale partner tellen mee.

 

Verliezen zijn vanaf 2019 nog slechts 6 jaar verrekenbaar met toekomstige winsten, dit was 9 jaar. Verrekenbare verliezen ontstaan voor 2019 blijven 9 jaar verrekenbaar. Dit geldt voor verliezen onderhevig aan de vennootschapsbelasting, en verliezen onderhevig aan box II belasting. De verliesverrekening in box I blijft hetzelfde.(9 jaar).

 

 

7. Aftrekbeperking afschrijving gebouwen in eigen gebruik bij de vennootschapsbelasting.

 

Tot 2018 konden de gebouwen in eigen gebruik tot 50% van de WOZ waarde (= bodemwaarde) afgeschreven worden. Vanaf 2019 is de bodemwaarde 100%, net als de bodemwaarde voor de panden niet in eigen gebruik. Als er panden in gebruik zijn genomen voor 2019 en er nog niet 3 jaar is afgeschreven, dan mag men nog tot 3 jaar afschrijven op deze panden. Deze beperking van afschrijving geldt alleen voor de vennootschapsbelasting.

 

 

8. Aftrek monumentpanden en aftrek scholingsuitgaven.

 

Voor de eigenaren van monumentpanden is nu een subsidieregeling van toepassing. Er kan tot maximaal 35% van de onderhoudskosten, instandhoudingskosten, subsidie gekregen worden. Hierdoor vervalt de aftrekmogelijkheid van de onderhoudskosten van monumentpanden.

 

Het was de bedoeling om ook voor scholingskosten een subsidiemogelijkheid te creëren. Deze is er nog niet, dus voor 2019 blijven scholingskosten aftrekbaar.

 

 

9. Huwelijken gesloten na 1 januari 2018 volgens de nieuwe wet kan gevolgen hebben voor de aftrek kosten eigen woning.

 

Huwelijken gesloten na 1 januari 2018 hebben een gewijzigd vermogensrecht. Er ontstaat nu (normaal gesproken) een beperkt gemeenschap van goederen. Het vermogen van voor het huwelijk, bijvoorbeeld een eigen huis, maar ook de daarmee samenhangende fiscale faciliteiten zoals renteaftrekverleden (in totaal slechts 30 jaar aftrekrecht), overgangsrecht voor niet annuïtair leningen enz., blijven nu persoonlijk. Ook de Eigen Woning Reserve (bij verkoop eigen huis meer ontvangen gelden dan de lening voor het eigen huis) is persoonlijk.

 

Voor huwelijken gesloten voor 2018 is er een algehele vermenging van boedel. Het eigen huis, en de daarmee samenhangende fiscale faciliteiten vallen in de boedelvermenging. Alleen de eigen woningreserve blijft ook nu buiten deze vermenging, en kan ertoe lijden dat 50% van deze eigenwoningreserve niet als eigen woningschuld wordt meegenomen. Als je dit niet wilt, dan kan een beroep op het beleidsbesluit van 30-01-2018 nr 5946 gedaan worden. Dan gaat de eigen woning reserve voor de helft over op de nieuwe partner.

 

Kopen de huwelijkspartners van een na 01-01-2018 gesloten huwelijk gezamenlijk een woning én heeft één van de huwelijkspartners al een eigen woning gehad in het voorhuwelijks verleden, dan kunnen er onbedoelde effecten ontstaan. (Schulden aangegaan tussen fiscale partners zijn op grond van de wet IB 2001 uitgesloten van de eigen woning schuld) Met een beroep op het beleidsbesluit van 30-01-2018 nr 5946 kan, bij een 50-50% verhouding van eigendom en financiering van de woning, een groot deel van de effecten voorkomen worden. De fiscale faciliteiten van de eigen woning en de eigen woningreserve gaan dan voor 50% over op de partner. Wel ontstaat er nu een schuld van de ene partner aan de andere partner in box III, omdat de ene partner zijn eigen woningreserve heeft gebruikt voor de aankoop van de woning en de andere partner niet eenzelfde bedrag heeft bijgestort. (Bij algehele boedelvermenging is deze schuld en vordering er niet).

 

Hoe doe je een beroep op dit besluit? Als de eigendomsverhouding in de woning en de schuld 50%-50% is en de aangifte wordt ingevuld, conform het beleidsbesluit van 30-01-2018, dan is daarmee een beroep gedaan op dit besluit. (Bij andere eigendomsverhoudingen kan een verzoek gedaan worden bij het ministerie van financiën).

 

 

10. Financiering werkloosheidswet uitkeringen op termijn geheel vanuit het algemeen werkloosheidsfonds.

 

De eerste 6 maanden van de werkloosheidwetsuitkering wordt momenteel gefinancierd vanuit het sectorfonds. Na deze 6 maanden gaat de financiering van deze uitkering over op het algemeen werkloosheidsfonds. Dit leidt tot verschillende hoogte van de premies voor de diverse sectorfondsen. Soms is er binnen deze sectorfondsen ook een verschil in premiehoogte voor werknemers met vaste en werknemers met (korte) tijdelijke arbeidscontracten.

Vanaf 2020 gaat dit veranderen en wordt de gehele werkloosheidswetuitkering vanuit het algemeen werkloosheidsfonds betaald. Tegelijkertijd zal de AWf- premie voor werknemers met een tijdelijk contract behoorlijk hoger zijn, dan die voor werknemers met een vast contract. (verschil kan wel 5% zijn).

 

 

11. Wijziging laag BTW tarief van 6% naar 9%.

 

In het kader van verlaging van belasting op arbeid en verhoging van belasting op consumptie is per 1 januari 2019 het lage belastingtarief van 6% verhoogd naar 9%. Met de extra belasting baten die hierdoor gaan ontstaan, zijn de inkomstenbelastingtarieven verlaagd, en heffingskortingen verhoogd. Regel, hoge btw tarief is van toepassing tenzij vermelding in tabel I. https://wetten.overheid.nl/BWBR0002629/2019-01-01#BijlageI (onder andere: voedingsmiddel en geneesmiddelen, boeken, kappersdiensten enz.)

 

Bij vooruitbetaalde bedragen (op tijdstip van de betaling was het 6% tarief van toepassing) vindt geen naverrekening plaats als de levering of dienst pas in 2019 plaatsvindt. Bijvoorbeeld: reeds in 2018 betaalde concertkaarten voor optreden in 2019, of in december 2018 geïncasseerd abonnement januari 2019 voor sportschool.

 

Wanneer er verplicht een factuur moet wordt uitgereikt (meestal leveringen diensten en goederen aan ondernemers door ondernemers) is datum van uitreiking factuur bepalend voor het van toepassing zijnde BTW tarief. De factuur moet wel volgens de factureringsregels zijn opgemaakt. In de factureringsregels ook bepalingen wanneer de factuur moet zijn uitgereikt. Opmaak en verzending uiterlijk voor de 15e dag volgend op de maand van prestatie, cq levering.

 

 

12. Eindiging KOR (Kleine Ondernemersregeling voor de BTW), start OVOB (Omzet gerelateerd Vrijstellingregeling Omzetbelasting).

 

Het plan is om de kleine ondernemersregeling BTW in de huidige vorm te eindigen per 31-12-2019. Daarvoor in de plaats komt dan de omzet gerelateerde vrijstellingsregeling omzetbelasting met ingang van 01-01-2020.

 

KOR: Als het saldo van de (eigen) af te dragen omzetbelasting minus de voorbelasting minder is dan € 1.883, kan een beroep gedaan worden op de kleine ondernemersregeling en behoefd de belasting niet, of deels niet, te worden afgedragen. Tot € 1.345 geen afdracht, tussen de € 1.345 en € 1.883 een korting op de afdracht. Dit geldt voor een natuurlijke persoon. (dus niet een voor rechtspersoon zoals een BV). Ook kun je, wanneer je dit wilt, een ontheffing krijgen van de administratieve verplichtingen als je minder dan € 1.345 op jaarbasis moet afdragen. In het geval van ontheffing kun je geen omzetbelasting meer op je facturen zetten.

 

 

OVOB:

Je kunt op verzoek vrijstelling krijgen van omzetbelastingafdracht als de (eigen) belastbare omzet minder bedraagt dan € 20.000. De voorbelasting is dan niet meer aftrekbaar. Dit geldt nu ook voor rechtspersonen (zoals BV’s). Het verzoek moet van te voren gedaan worden en geldt dan voor 3 jaar. Dit verzoek is vrijwillig. Verzoek voor 2020 tussen 1 juni en 20 november 2019. Als je de OVOB aanvraagt, dan geldt automatisch ook, dat er ontheffing voor administratieve verplichting is aangevraagd, en kun geen facturen met BTW meer opmaken. Als er nu reeds een ontheffing voor administratieve verplichtingen is, dan geldt voor 2020 de OVOB zonder deze aan te vragen. Wil je dit niet, zal je dit moeten melden.

 

Stel je hebt de OVOB aangevraagd, maar in een jaar stijgt de omzet boven de € 20.000, dan is er weer omzetbelasting verschuldigd vanaf de prestatie waarmee de omzet boven deze € 20.000 stijgt. Ook wordt vanaf hetzelfde moment de voorbelasting weer aftrekbaar. Er kan dan vervolgens 3 jaar geen beroep meer gedaan worden op de OVOB.

 

 

13. Drempel € 10.000 in de BTW voor E- commerce omzet buiten Nederland maar binnen de EU, en vanaf 2021 voor alle afstandsverkopen.

 

Met ingang van 2019 is er voor omzet E-commerce buiten Nederland, maar binnen de EU, tot een bedrag van € 10.000 euro binnenlandse omzetbelasting verschuldigd. Boven deze € 10.000 moet in het land van de afnemer omzetbelasting aangegeven en afgedragen worden. De drempel geldt voor de totale E-commerce omzet, en per ondernemer. De ondernemer mag maar in één lidstaat gevestigd zin. Men kan onder voorwaarden gebruik maken van de MOSS (Mini One Stop Shop). Dan doe je via je eigen portaal bij je eigen belastingdienst aangifte voor alle landen binnen de EU. (E- commerce is elektronische verkoop aan particulieren, behaald met beperkt menselijk ingrijpen. Bijvoorbeeld verkoop apps op de telefoon).

 

In 2021 gaan deze regels voor E- commerce ook gelden voor afstandsverkopen aan particulieren in de EU. De huidige drempels, € 35.000 en € 100.000, vervallen. Aangifte afstandsverkopen kan dan onder voorwaarden ook met behulp van MOSS.

 

 

14. Wet DBA, verder uitstel handhaving, bijlage over gezagsverhouding in handboek loonheffing.

 

De wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) is in 2016 ingegaan, echter de handhaving van de wet is wederom opgeschort naar 01-01-2020. Misbruiksituaties worden wel aangepakt. Er komt een opvolging van deze wet.

 

Middels afsluiten van goedgekeurde modelovereenkomsten tussen opdrachtgever en opdrachtnemer kan duidelijkheid vooraf gekregen worden over de arbeidsrelatie, en dus duidelijkheid of er loonheffing en premies werknemersverzekeringen moet worden afgedragen. Deze Modelovereenkomsten staan op de site van de belastingdienst. Het is niet verplicht om met een overeenkomst te werken. Als er duidelijkheid vooraf beoogd wordt, is dit wel verstandig,

 

Of er sprake is van een dienstbetrekking of een opdracht aan een zelfstandige ondernemer is soms een vraag. Bij de kwalificatie dienstbetrekking zal loonheffing en premies werknemersverzekering ingehouden moeten worden. Bij beoordeling of in dienstbetrekking of als zelfstandige gewerkt wordt, is een van de belangrijke punten de aanwezigheid van een  gezagsverhouding. In 2018 is de bijlage “beoordeling gezagsverhouding” aan het handboek loonheffing toegevoegd.

https://www.belastingdienst.nl/bibliotheek/handboeken/html/boeken/HL/bijlagen-beoordeling_gezagsverhouding.html

Deze bijlage geeft inzicht wanneer er voor de loonheffing een gezagsverhouding aanwezig wordt geacht.

 

 

15. Bijtelling geheel elektrische auto met catalogus waarde van meer dan € 50.000, ook wel “tesla-taks” genoemd.

 

Met ingang van 1 januari 2019 is de korting (18%) op de bijtelling van geheel elektrische afgetopt. Alleen over de eerste € 50.000 geldt deze korting. Dat betekend dat auto’s gekocht in 2019 met een waarde van € 60.000, slechts een korting op de bijtelling krijgen over de eerste € 50.000. Bijtelling wordt dan 4% van € 50.000 en 22% van € 10.000. Bijtelling totaal € 4.200. Voor geheel elektrische auto’s waarvan de 60 maands periode voorbij is, geldt dit ook per 1 januari 2019. Als in 2013 een geheel elektrische auto is gekocht van € 90.000 dan wordt de bijtelling 2019 7% (25-18) van € 50.000 en 25% van € 40.000. Totaal € 13.500. Dit wordt de “tesla taks” genoemd. Voor ondernemers, natuurlijke personen (dus niet de ondernemers die de auto van de eigen BV rijden) is de bijtelling bij de winst mogelijk toch lager. Als de totale kosten van de auto in 2019 lager zijn dan de bijtelling, hier € 13.500, dan is de winstbijtelling beperkt tot de hoogte van deze kosten.

 

 

16. Omzetting BBZ krediet in gift in de periode 2014 tot en met 2016.

 

Als u in het verleden een BBZ (Besluit Bijstands voor Zelfstandigen) lening hebt gehad, bijvoorbeeld bij starten van een bedrijf vanuit de bijstand, of bij tijdelijke vermindering van winst, en deze lening werd in de jaren 2014, 2015 of 2016 omgezet in een gift, dan is deze gift toendertijd behandeld als inkomen voor de toeslagen. Er moest in vele gevallen een deel van de toeslagen terugbetaald worden. Er is nu een compensatieregeling voor deze gevallen. De toeslag 2014, 2015 en 2016 mag alsnog berekend worden, zonder het inkomen uit hoofde van de gift BBZ. Je moet dan voor 31 december 2019 een verzoek indienen: In dit verzoek vragen om toepassing compensatieregeling BBZ, aangeven welk jaar (en) het betreft en een verklaring van de gemeente, waaruit blijkt dat de BBZ lening is omgezet in een gift, meesturen.

 

 

17. BTW aangifte via site belastingdienst gaat veranderen.

 

Vele ondernemers doen hun aangifte BTW via de site belastingdienst, inloggen ondernemers. Zij hebben van de belastingdienst in het verleden een gebruikersnaam (NL00…. enz) en een wachtwoord ontvangen. Dit gaat veranderen. Voor eenmanszaken kun je vanaf 2019 inloggen met DIGID of de DIGID app. Rechtspersonen en vennootschap onder Firma kunnen in de loop van 2019 inloggen met E- herkenning op niveau 3. E- herkenning kost geld, en moet geregeld worden met een leverancier van E- herkenning, zoals onder andere Connectis. Helaas kan geen gebruik worden gemaakt van een PKI certificaat. Het oude inlogsysteem blijft in ieder geval heel 2019 nog in de lucht. De ondernemer ontvangt bericht wanneer hij over moet gaan naar inloggen met E- herkenning.

 

 

18. Varia.

 

- Per 1 januari 2019 gaat geboorteverlof van 3 dagen naar 5 dagen bij full time dienstverband. De werkgever betaald dit verlof.

- De bedragen van de vrijwilligersregeling veranderen per 1 januari. De maximale vrijwilligersvergoeding, die iemand per jaar mag ontvangen zonder inhouding van belastingen, wordt € 1.700 op jaarbasis. (was € 1.500)

- De 30% regeling, fiscale regeling voor werknemers uit het buitenland met specifieke deskundigheid, kan vanaf 1 januari 2019 maximaal 5 jaar toegepast worden. (was 8 jaar).

- Op termijn (gepland voor 2020) komt er een nieuw BTW nummer voor eenmanszaken.

- Hebt u nog een levensloop tegoed? Deze kan tot eind 2021 opgenomen worden, doet u dit niet dan valt het saldo eind 2021 vrij.

 

Wij hebben deze nieuwsbrief zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor onjuiste of onvolledige informatie. Niets uit deze uitgave mag zonder onze toestemming worden overgenomen.

 

 Januari 2018

 

1.Tarieven Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen 2018, en heffingskortingen

 

Er verandert dit jaar nauwelijks iets in de belastingtarieven en heffingskortingen.

 

De tarieven in de tweede en derde schijf gaan € 0,05% omhoog. De tarieven in de 4e schijf gaat met 0,05% omlaag. Het percentage van de afbouw van de heffingskortingen (dus de snelheid waarmee de heffingskortingen worden verminderd) daalt ook iets. Dit jaar gaan alleen de wat hogere middeninkomens er iets op achteruit.

 

Geheel jaar niet AOW gerechtigden:

 

Overzicht aanpassing tarieven

Tarief 1 t/m € 20.142 (was € 19.982)36,55% (was 36,55%)

Tarief 2Vanaf € 20.143 t/m € 33.994 (was € 19.983 t/m € 33.791)40,85% (was 40,80%

Tarief 3Vanaf € 33.995 t/m € 68.507 (was € 33.716 t/m € 67.072) 40,85% (was 40,80%

Tarief 4Vanaf € 68.508 (was € 67.073) en hoger 51,95% (was 52%)

 

Overzicht aanpassing heffingskortingen

 

Maximale algemene heffingskorting:lagere inkomens€ 2.265(was € 2.254) Afbouw heffingskorting met 4,683% voor inkomen boven € 20.143. (was 4,787% boven € 19.982) Afbouw tot € 0

Maximale arbeidskorting:lagere inkomens€ 3.249 (was €3.223) Afbouw 3,6% voor inkomen boven            € 33.112 (was 3,6% voor inkomen boven € 32.444) Afbouw tot € 0

Maximale werkbonus, € 0(was voor 64 jarigen of ouder € 1.119)

Maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting € 2.801(was € 2.778)

 

Voor geheel jaar AOW gerechtigden:

- De tarieven Inkomstenbelasting 2018 in schijf 1. 18,65% (was 18,65%) en schijf 2. 22,95% (was 22,90%).*) De 2e belastingschijf voor een AOW gerechtigde geboren voor 1 januari 1946 loopt tot € 34.404

- De Algemene Heffingskorting bedraagt € 1.157 (was € 1.151) en minimaal € 0 (was minimaal    € 0)

- De Ouderenkorting bedraagt € 1.418 (was € 1.292) bij een inkomen tot € 36.346 (was € 36.057), daarboven € 72 (was € 71)

 

Voor diegene die in 2017 de AOW leeftijd bereiken gelden andere tarieven en bedragen.

 

De algemene heffingskorting wordt afgebouwd in de 2e en 3e schijf (bij inkomen boven de

€ 68.507 geen algemene heffingskorting meer).

 

De arbeidskorting bouwt zich eerst op tot maximaal € 3.249 bij een arbeidsinkomen van € 33.112, daarna wordt deze weer afgebouwd. Bij een arbeidsinkomen boven de € 123.362 is de arbeidskorting

 € 0.

 

De Inkomensafhankelijke combinatiekorting bouwt zich op bij een arbeidsinkomen tussen de

€ 4.934 en € 33.331 tot maximaal € 2.801 Instapbedrag €  1.052 bij inkomen meer dan € 4.934 . Deze heffingskorting is voor werkenden met kinderen jonger dan 12 jaar. Voor de werkende alleenstaande, of voor de minstverdienende partner bij fiscale partners.

 

 

2. Uitbetaling heffingskortingen aan minstverdienende fiscale partner.

 

Indien de verschuldigde belasting lager is dan de van toepassing zijnde heffingskortingen dan kan het restant uitbetaald worden. Er moet een fiscaal partner zijn, die ten minste dit bedrag aan belasting verschuldigd is. In de volksmond “aanrechtsubsidie” genoemd. Voor belastingplichtigen die geboren zijn na 31 december 1962 geldt een beperking van deze uitbetaling. Zij krijgen minder terug. De terugbetaling van de algemene heffingskorting is beperkt tot 33,3%. De arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting worden geheel uitbetaald. In het regeerakkoord is opgenomen dat beperking van de uitbetaling voor belastingplichtigen geboren na 31 december 1962 in de toekomst gaat gelden voor alle heffingskortingen.

 

 

3.Vervallen tijdsklemmen kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning en beleggingsrecht eigen woning.

 

Sinds 1 april 2017 kan het saldo op de kapitaalverzekering, spaarrekening, en beleggingsrecht eigen woning belastingvrij worden gebruikt voor aflossing van de eigen woningschuld. Er behoeft niet meer te worden voldaan aan 15 of 22 jaar premie betaling. Dit bedrag moet minder dan

€ 164.000 per belastingplichtige zijn. Hypotheken gekoppeld aan deze producten kunnen dus makkelijker worden omgezet naar nieuwe meestal goedkopere annuïteitenhypotheken.

 

 

 4. Financiering restschuld bij verkoop eigen woning leidt niet meer tot aftrekbare rente.

 

Als de opbrengst van de verkoop van het eigen huis in 2018 onvoldoende is om de eigenwoningschuld geheel te kunnen aflossen, wordt hiervoor soms een lening aangegaan. De rente voor een zodanige lening is niet meer aftrekbaar. (Was 15 jaar aftrekbaar.). De aftrekbaarheid van de rente voor reeds bestaande restschuldleningen, (ontstaan na 28 oktober 2012 en voor 31 december 2017) blijft gerespecteerd.

 

 

5. Box III heffing in 2018.

 

Tarief 30 % belasting over forfaitair rendement. Het belastingvrij vermogen wordt € 30.000 per belastingplichtige.(was € 25.000)

 

Forfaitair rendement:

Schijf 1: tot € 70.800. 2,02% (was:2,87% tot € 75.000)

Schijf 2: van € 70.800 tot € 978.000: rendement 4,33% (was 4,6% van € 70.800 tot en met

 € 975.000)

Schijf 3: Boven de € 978.000 rendement 5,38% (was 5,39% boven € 975.000)

 

Dit geld dus per belastingplichtige. Als fiscale partners samen € 201.600 vermogen hebben, dan blijf je in de eerste schijf.

 

6. Loonkostenvoordeel (LKV) uit de wet tegemoetkoming loondomein.

 

Met ingang van 2018 zijn de premiekorting oudere werknemer en de premiekorting arbeidsgehandicapten, omgezet in de regeling loonkostenvoordeel in de wet tegemoetkoming loondomein.

 

Voor het in dienst nemen van werknemers (niet AOW gerechtigden), vanuit een uitkeringssituatie, en met een achterstand op de arbeidsmarkt vanwege ouderdom (ouder dan 56 jaar) of arbeidshandicap kan een loonkostenvoordeel worden verkregen. Voordeel tot € 6000 (€ 3,05 per verloond uur) maximaal 3 jaar. (Bij herplaatsing arbeidsgehandicapte maximaal 1 jaar) Ook voor personen uit de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden is een loonkostenvoordeel. Maximaal € 2000 (€ 1,01 per verloond uur) voor maximaal 3 jaar. Een doelgroepverklaring van het UWV of de Gemeente is vereist. (deze moet door de werknemer binnen drie maanden na indiensttreding aangevraagd zijn). Als de werkgever de doelgroepverklaring heeft, vinkt hij dit in de aangifte loonheffing aan. Aanvinken niet vergeten, anders wordt dit voordeel niet verkregen.

 

Let op: voor werknemers die in 2017 premiekorting arbeidsgehandicapten of premiekorting oudere werknemer kregen, en waarvan de 3 jaar nog niet voorbij zijn, moet:

1.In de laatste aangifte loonheffing van 2017 invullen dat premiekorting wordt toegepast, en het bedrag van de premiekorting moet worden ingevuld. (Correctie indien niet ingevuld tot mei 2018 mogelijk)

2.In de eerste aangifte 2018 moet in de aangifte loonheffing een vinkje bij loonkostenvoordeel worden gezet!

Doelgroepverklaringen behoeven nu niet te worden aangevraagd.

 

Uitbetaling van het loonkostenvoordeel gaat op dezelfde manier als de reeds in 2017 ingegane LIV. Uitbetaling over 2018 vindt in september 2019 plaats.

 

Samenloop van LIV en LKV is niet mogelijk én er is ook altijd maar 1 LKV per werknemer van toepassing.

 

 

7. Jeugd LIV.

 

De tegemoetkoming verhoging minimum jeugdloon, het Jeugd LIV, gaat in per 1 januari 2018. De tegemoetkoming is een compensatie voor de stijging van het minimum jeugdloon per 1 juli 2017. Heb je werknemers in dienst tussen de 18 en 21 jaar én verdienen zij het minimum jeugdloon, behorend bij hun leeftijd, dan is er recht op deze tegemoetkoming. Leeftijd op 31 december voorgaand jaar is bepalend. De tegemoetkoming 2018 bedraagt een bedrag per verloond uur. Voor een 18 jarige € 0,23, 19 jarige € 0,28, 20 jarige € 1,02, 21 jarige € 1,58. De tegemoetkoming over 2018 van dit Jeugd LIV wordt (net als het LIV) in 2019 door het UWV automatisch berekend en betaald. (In september 2019). Voor het jeugd LIV is niet het minimum aantal verloonde uren (1248) van toepassing.

 

Samenloop van Jeugd LIV en LKV is wel mogelijk.

 

 

8. Aanwijzing eindheffingsloon, hoe doe je dit?

 

In de werkkostenregeling is gesteld dat de werkgever loon moet aanwijzen als eindheffingsloon om gebruik te maken van de faciliteiten. (gerichte vrijstelling, nihilwaardering, vrije ruimte). Deze aanwijzing moet uit de administratie blijken. Hoe kun je dit in de praktijk doen?

1>Je geeft dit aan bij de grootboekrekeningen.(toevoeging bijvoorbeeld gerichte vrijstelling, nihilwaardering, vrije ruimte)

2>Je geeft dit aan in het personeelshandboek

3>Je geeft dit aan in de arbeidsovereenkomst

4>Overig

Als er binnen het jaar blijkt dat iets nog niet aangewezen is als individueel loon of eindheffingsloon, dan kan dit alsnog hersteld worden. Kom je hier pas buiten het jaar achter, dan kan niet meer achteraf aangewezen worden.

 

Dat loon als eindheffingsloon is aangewezen valt onder de zogenaamde vrije bewijsleer. Het kan verstandig zijn om de volgende algemene aanwijzing in de administratie op te nemen. “Hierbij wordt verklaard dat: de vergoedingen, verstrekkingen dan wel ter beschikking stellingen worden aangewezen als eindheffingsloon wanneer het loon niet is vrijgesteld op grond van de wet. De aanwijzing geldt niet voor zover niet wordt voldaan aan de gebruikelijksheidstoets, en wanneer het loon individueel is verloond.”

 

 

9. Noodzakelijkheids criterium en eigen bijdrage werknemer.

 

Het noodzakelijkheidscriterium uit de werkkostenregeling is voor computers, gereedschappen, mobiele apparatuur en dergelijke. Indien deze zaken nodig zijn voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking zijn deze vergoedingen en verstrekkingen gericht vrijgesteld.

 

Voorbeelden:

-Een werkgever acht (voor meerdere werknemers) internet thuis bij de werknemer noodzakelijk en vergoedt de volledige factuur (telefoon, internet en televisie abonnement). Het deel van deze vergoeding voor internet is gericht vrijgesteld, het overige deel kan individueel verloond worden, of aangewezen als eindheffingsloon en ten laste van de vrije ruimte gebracht worden. Ook kan hij een eigen bijdrage regelen met de werknemer voor het telefoon- en televisiegedeelte van de factuur.

 

-Een werkgever acht een mobiele telefoon met abonnement noodzakelijk, maar vraagt voor het privé telefoongebruik een eigen bijdrage van € 5. Dan valt dit telefoonabonnement niet meer onder het noodzakelijksheidscriterium en de gerichte vrijstelling. Alle kosten van de voorziening moeten voor dit criterium namelijk ten laste van de werkgever komen. Wel is het mogelijk dat een werknemer kiest voor een ander abonnement, (een uitbreiding en deze werknemer de meerkosten van dit andere abonnement middels eigen bijdrage draagt.

 

 

10. Wet Uitfasering Pensioen in eigen Beheer

 

Het wetsvoorstel is na eerdere terugtrekking en kleine aanpassing in 2017 aangenomen in de eerste en tweede kamer.

 

- Pensioenopbouw in eigen beheer is vanaf 1 juli 2017 niet meer mogelijk. Na deze datum resteert dus premievrijgemaakt pensioen.

- Mogelijkheid omzetting pensioen in de jaren 2017, 2018, en 2019 naar Oudedagsverplichting. Omzetting tegen fiscale waarde van de pensioenverplichting.

- Mogelijkheid pensioenverplichting of oudedagsverplichting geheel af te kopen tegen de fiscale balanswaarde in 2017, 2018 en 2019, of af te storten naar een lijfrenterekening bij een bank. Indien het pensioen afgekocht wordt, dan is geen revisierente meer verschuldigd én er geldt een hoge korting op de verschuldigde belasting. (Korting in 2017 34,5%, 2018 25% en 2019 19,5% over de fiscale balanswaarde pensioen 31-12-2015, of de fiscale waarde op het moment van afkoop als deze lager is.

 

 

11. Vrijstelling pleegzorgvergoeding

 

In het verleden werd bij vier of meer pleegkinderen beoordeeld of de pleegzorgvergoeding een bron van inkomen zou zijn. (Meer vergoeding dan kosten). Met ingang van 2013 is dit vervallen, echter totdat dit geëvalueerd was. De evaluatie zou voor 2018 plaatsvinden. Deze termijn wordt nu met één jaar verlengd.

 

 

12. Verruiming sportvrijstelling BTW.

 

Voor sportvereniging geldt een vrijstelling van BTW. Er behoeft over de ontvangen vergoedingen van leden geen btw (laag tarief) afgedragen te worden. Er kan dan echter ook geen voorbelasting afgetrokken worden. Deze vrijstelling zal met ingang van 1 januari 2019 nu ook voor andere organisaties zonder winstoogmerk gaan gelden. (bijvoorbeeld ter beschikkingstelling van sportaccommodaties, zoals zwembaden en sporthallen, door gemeenten, of beheersstichtingen). Is er wel een winstoogmerk, dan geldt deze verruiming niet.

 

 

13. Toeslagensysteem is nu gekoppeld met Basis Personen Registratie (BPR), wat betekent dit?

 

Met ingang van 2018 is er een koppeling tussen het toeslagensysteem en de BPR. Als je nu inlogt op mijn toeslagen zie je de namen van alle personen die op jouw adres staan ingeschreven (tabblad: mijn huishouden). Dit is van belang voor de aanvraag van toeslagen. Bijvoorbeeld voor de huursubsidie aanvraag zijn ook de gegevens van de medebewoners nodig. Soms staat er nog een bewoner ingeschreven die niet meer op het adres woont. (vorige huurder of spookbewoner). Dan lukt het aanvragen van de huurtoeslag niet meer. Deze bewoner moet eerst bij de gemeente uitgeschreven worden. Wel kan, na contact met de belastingtelefoon (0800-0543), de aanvraag toch in behandeling worden genomen zonder deze bewoner. Er is dan vervolgens 3 maanden de tijd om de registratie bij de gemeente aan te passen.

 

Om via mijn toeslagen een toeslag aan te vragen moet de toeslagpartner zelf inloggen met zijn DIGID. (Of de aanvrager een machtiging verstrekken met behulp van zijn DIGID).

 

Verhuizingen kunnen niet meer doorgegeven worden op toeslagen.nl, maar moeten bij de gemeente worden doorgegeven.

 

Als er sprake is van co-ouderschap, (kind verblijft 3 dagen bij de ene ouder en overige dagen bij andere ouder, of de ene week bij de ene ouder en de volgende week bij de andere ouder) dan moet dit schriftelijk doorgegeven worden. Dit moet middels een schrijven, waarin opgave welke dagen het kind waar verblijft, ondertekend door beide ouders. Dit zenden aan, Belastingdienst/Toeslagen, Postbus 4510, 6401 JA Heerlen.

 

 

14. 10% regeling bij de toeslagen.

.

Deze regeling was er in het verleden, en komt nu weer terug. Als een ex-partner (of ex medebewoner voor de huurtoeslag) na vertrek een inkomensverandering heeft, dan heeft deze invloed op de hoogte van de toeslag over de periode van samenwoning. Er wordt namelijk gewerkt met jaarinkomen en proportioneel toerekenen aan de periode van samen(be)woning. Bij inkomens stijging kunnen de toeslagen negatief beïnvloed worden. Nu kan, op verzoek, de inkomensstijging buiten beschouwing worden gelaten. Die inkomensstijging na vertrek moet dan meer zijn dan 10 % van het jaarinkomen.

 

 

15. Afbouw “Hillenaftrek” in 30 jaar, oftewel geleidelijke herinvoering “aflosboete”.

 

Met ingang van 1 januari 2019 zal de “Hillenaftrek” in 30 jaar afgebouwd worden naar 0. (Dus met 3 1/3 % per jaar).

 

Soms is het eigen woning forfait (een forfaitair bedrag, wat in mindering wordt gebracht op de aftrekbare rente eigen woning) hoger dan de renteaftrek eigen woning. De eigenwoninglening is dan geheel of nagenoeg geheel afgelost. Het eigen woning forfait wordt bepaald aan de hand van de waarde van de eigen woning (in 2018 is deze 0,7% van de WOZ waarde van de woning). Dit positieve saldo leidde in het verleden tot een betaling van belasting. Je was zo belasting voor de eigen woning verschuldigd. Men vond dit oneerlijk.” Aflosboete”, werd dit genoemd. In 2005 werd een aftrek, die gelijk was aan dit positieve saldo, ingesteld, de “Hillen” aftrek. Deze aftrek verdwijnt nu dus weer in stapjes. Kennelijk is een “aflosboete” nu niet meer oneerlijk.

 

Het eigen woning forfait (bijtelling eigen woning) is nu 0.7%. Dit wordt op termijn 0,5%

 

 

16. Overige plannen.

 

Tijdens de werkgeversbijeenkomst UWV aangekondigde plannen:

 

Als op dit moment een ondernemer zijn bedrijf stopt om met pensioen te gaan of wegens arbeidsongeschiktheid, dan is hij aan de werknemers transitievergoeding verschuldigd. (Tenzij hij ze weet te herplaatsen). Hierdoor kan stoppen zeer kostbaar zijn. In de toekomst zullen deze transitievergoedingen door het UWV vergoedt gaan worden.

 

Ook de verschuldigde transitievergoeding aan een werknemer, die vanwege langdurige ziekte (2 jaar) ontslagen wordt, zal door het UWV vergoedt gaan worden

 

 

Wij hebben deze nieuwsbrief zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor onjuiste of onvolledige informatie. Niets uit deze uitgave mag zonder onze toestemming worden overgenomen.

 

 

 

Navolgende gepubliceert:: Januari 2017

 

1. Tarieven Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen 2017, en heffingskortingen

 

Er wordt dit jaar minder gegoocheld met belastingtarieven, heffingskortingen en lengte belastingschijven. Dit kan ook bijna niet meer, omdat de heffingskortingen vorig jaar al afgebouwd werden naar € 0.

 

De tarieven in de tweede en derde schijf gaan € 0,4% omhoog. Het percentage van de afbouw van de heffingskortingen (dus de snelheid waarmee de heffingskortingen worden verminderd) gaat omlaag, dit betekend dat de lagere inkomens het tarief verschil niet merken, de hogere inkomens wel.

 

Overzicht aanpassing tarieven voor geheel jaar niet AOW gerechtigden:

Tarief 1 t/m € 19.982 (was €19.922) 36,55% (was 36,55%)

Tarief 2Vanaf € 19.983 t/m €33.791 (was € 19.923 t/m €33.715) 40,80% (was 40,4%

Tarief 3Vanaf € 33.716 t/m €67.072 (was € 33.716 t/m €66.421) 40,80% (was 40.4%

Tarief 4Vanaf € 67.073 (was €66.422) en hoger 52% (was 52%)

 

Overzicht aanpassing heffingskortingen voor geheel jaar niet AOW gerechtigden:

Maximale algemene heffingskorting: lagere inkomens €2.254(was €2.242) Afbouw heffingskorting met 4,787% voor inkomen boven €19.982. (was 4,822% boven €19.922). Maximale algemene heffingskorting hogere inkomens €0 (was €0)

Maximale arbeidskorting: lagere inkomens €3.223(was €3.103) Afbouw 3,6% voor inkomen boven €32.444 (was 4% voor inkomen boven €34.015) Maximale arbeidskorting hogere inkomens €0(was €0)

Maximale werkbonus, (alleen voor 63 jarigen of ouder) €1.119 (was €1.119) Maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting: €2.778(was €2.769)

 

 

Voor geheel jaar AOW gerechtigden:

- De tarieven Inkomstenbelasting 2016 in schijf 1. 18,65% (was 18,65%) en schijf 2. 22,9% (was 22,5%).*) De 2e belastingschijf voor een AOW gerechtigde geboren voor 1 januari 1946 loopt tot €34.130.

- De Algemene Heffingskorting bedraagt €1.145 (was €1.045) en minimaal €0 (was minimaal  €685)

- De Ouderenkorting bedraagt €1.151 (was €1.145) en wordt afgebouwd tot € 0 (was € 0)

 

Voor diegene die in 2017 de AOW leeftijd bereiken gelden andere tarieven en bedragen.

 

De algemene heffingskorting wordt dus afgebouwd in de 2e en 3e schijf (bij inkomen boven de

€67.072 geen algemene heffingskorting meer, de arbeidskorting bouwt zich eerst op tot maximaal €3.223 bij een inkomen van €32.444, daarna wordt deze weer afgebouwd. Bij een inkomen van boven de €121.971 is de arbeidskorting €0.

 

 

2. Vruchtgebruik eigen woning verkregen krachtens erfrecht en eigen woningschuld.

 

Per 1 januari 2017 is nu wettelijk vastgelegd hoe omgegaan moet worden met vruchtgebruik eigen woning verkregen krachtens erfrecht en de schuld eigen woning die hier nog op rust. Let op! Dit vruchtgebruik moet wel binnen twee jaar na het overlijden, ook notarieel worden gevestigd. Dat dit in het testament staat is niet voldoende. Het komt erop neer dat de vruchtgebruiker de volle waarde van de eigen woning aangeeft, en de renteaftrek over de gehele schuld mag aangeven (indien hij/zij de rente en eventuele aflossing lening ook betaald). Ook de 30 jaarstermijn van aftrek rente gaat over op de vruchtgebruiker. Evenals de ruimte voor aflossingsvrije hypotheek. Wordt de woning verkocht, dan gaat, als er een positief saldo overblijft na aflossing van de schuld, dit over op de bloot eigenaar. Blijft er een negatief saldo over, dan kan de vruchtgebruiker de rente ivm deze restschuld nog 15 jaar aftrekken.

 Als de nu geldende wettelijke verdeling wordt gevolgd, dan blijft de eigen woning en eigenwoningschuld bij de partner en verkrijgen de erfgenamen slechts een vordering op de overblijvende partner. Deze vordering en schuld behoeven eveneens niet in de aangifte te worden verwerkt.

 

 

3. Eenmalige belastingvrije schenking gaat naar €100.000 indien voor ten minste €74.474 aangewend wordt voor de eigen woning

 

Er kan sinds 1 januari 2017, aan personen tussen de 18 en 40 jaar een eenmalige schenking gedaan worden van €100.000 als deze voor ten minste €74.474 aan de eigen woning wordt besteed. (bijvoorbeeld voor aflossing van het eigen deel van de eigen woningschuld van de verkrijger. (goed vastleggen)) De verkrijger, die ouder is dan 40 jaar, maar een fiscale partner heeft, die wel tussen de 18 en 40 jaar oud is, kan toch dit eenmalige bedrag belastingvrij ontvangen. Ouders, ook als ze gescheiden zijn, gelden als één schenker. De schenking(en) en besteding(en) kunnen verspreid over 3 jaar plaatsvinden. (let op! Bij elke vervolgschenking moet weer voldaan zijn aan de leeftijdeis en moet aangifte gedaan worden). Als eerste jaar geldt het jaar waarin de eerste verhoogde eenmalige schenking is gedaan. (Dus het maakt niet uit of op 1 januari of 31 december de schenking wordt gedaan, dat is dan het eerste jaar). Zogenaamde kruisschenkingen ("Jij geeft mijn kind € 100.000 dan geef ik jouw kind €100.000") zullen niet belastingvrij mogelijk zijn.

Is er in het verleden al eerder een eenmalige schenking gedaan, dan gelden er andere regels. Was deze schenking voor 2010 minder dan ongeveer €25.000, dan kan slechts ongeveer

€28.000 extra geschonken worden, te besteden aan de eigen woning of dure studie. (mits aan de leeftijdseis wordt voldaan) Was er naast de schenking in 2010 er een ophoging van deze schenking in 2016 (Tussen €5.305 en ongeveer  28.000 voor huis of studie) dan kan nog ongeveer €47.000 belastingvrij worden geschonken, te besteden aan het eigen huis. Van iedere schenking moet aangifte gedaan worden voor 1 maart van het opvolgend jaar. Schenkingen in hetzelfde jaar van dezelfde persoon worden samengeteld.

 

 

 

5. Box III heffing in 2017 en in de toekomst

 

In 2017 is de heffing veranderd. Het blijft een forfaitaire heffing, echter er komen drie schijven voor het forfaitair rendement. (dit is gebaseerd op hoe het vermogen in box III was verdeeld in banktegoed, onroerend goed en aandelen. Belastingheffing blijft 30%. Het belastingvrij vermogen wordt €25.000 per belastingplichtige.

Schijf 1: tot €75.000. (Er is dus een totaal van €100.000 vermogen) rendement:2,87%

Schijf 2: van €75.000 tot €975.000: rendement 4.6%

Schijf 3: Boven de €975.000 rendement 5,39%

 

Dit geld dus per belastingplichtige. Als fiscale partners samen €200.000 vermogen hebben, dan blijf je dus in de eerste schijf.

 

Bij de behandeling van dit wetvoorstel werd opdracht gegeven verder te onderzoeken of er niet beter kan worden aangesloten bij het werkelijk rendement. In september 2016 was hierover een voortgangsrapportage. Daarin al verdere voorstellen over vermogenswinst, vermogensaanwas, of toch forfaitair rendement, aansluitend op de werkelijke verdeling van het vermogen, maar ook vele onduidelijkheden, zoals hoe om te gaan met vermogensverlies. In maart 2017 wordt een vervolg hierop verwacht. Invoerdatum zal dan gelden voor 2021. Maar voor 2018 is het ook zo maar mogelijk dat de heffing box III toch weer veranderd.

 

 

6. Maatregelen tegen de flits VBI

 

Om vermogen uit box III op peildatum in box II te krijgen, werd naast inbreng in een BV ook meer en meer gebruik gemaakt van een VBI (Vrijgestelde Beleggings Instelling, vrijgesteld voor vennootschapsbelasting) Dit kon een NV met VBI status zijn, maar ook een open fonds voor gemene rekening (OFGR). Deze werd dan bijvoorbeeld in juli ingesteld/opgericht, daar werd vermogen naartoe overgeboekt, en begin januari werd deze VBI weer opgeheven. Op de peildatum voor box III was het vermogen in box II. Dus geen heffing box III voor dit vermogen. Wel een forfaitair rendement (4%), in box II tijdsgelang (4% maal 6/12, maal 25% tarief box II, dus 0,5% belasting). Bij liquidatie NV/OFGR wordt dit forfaitair rendement bij de waarde van de storting op de aandelen/ participatie opgeteld, en indien dit rendement niet gehaald werd volgt een verlies in Box II. Dit kan na twee jaar omgezet worden in een belastingkorting in box I. Er wordt dan uiteindelijk dus maar ongeveer over het werkelijk rendement 25% belasting geheven. Voor een open fonds voor gemene rekening heb je wel meer dan één partij nodig. Maar zeker een open fonds voor gemene rekening kon met een en/of rekening en verdere onderlinge afspraken ingesteld worden. Om dit in de toekomst tegen te gaan, zijn er de volgende maatregelen genomen.

1.Indien een ontbinding van een VBI binnen 18 maanden na instelling plaatsvindt, wordt zowel geheven over het rendement, als een box III heffing tegen het hoogste tarief. (Als er een echt zakelijke reden is om de VBI in binnen 18 maanden weer te ontbinden dan kan dit nog steeds in overleg met de belastingdienst).

2.Daarnaast leidt het omzetten van een BV in een VBI (waarin alleen nog geld zit en geen activiteit) tot onmiddellijke heffing van de nog aanwezige aanmerkelijk belang claim. (Bijvoorbeeld AB claim over nog in de BV aanwezige niet uitgekeerde winsten).

3.Het forfaitair tarief van de VBI wordt gekoppeld aan het hoogste tarief van Box III.

 

 

 

7. Gebruikelijk Loon DGA. en gebruikelijk loon DGA bij innovatieve startups

 

Het minimaal gebruikelijk loon van een fulltime DGA wordt gesteld op  45.000 (was €44.000) per jaar (bron ministerie van financiën), of op het hogere loon van de meest verdienende medewerker, of 75 % van het loon van de meest vergelijkbare functie als dit hoger is. Op verzoek, en in onderling overleg met de belastingdienst kan dit loon toch lager zijn, bijvoorbeeld als de winstcijfers (blijvend) laag zijn, of als loon voor degenen met een vergelijkbare functie een lager loon ontvangen.

In de wet (2017) is nu vastgelegd, dat het loon voor DGA's van een innovatieve startup, op het minimum loon gesteld mag worden. Innovatieve startup is een bedrijf dat speur- en ontwikkelingswerk verricht en binnen de WBSO (S&O-afdrachtvermindering) als starter is aangemerkt.

 

 

8. Zakelijk etiketteren van huurrecht van een woning leidt vanaf 2017 slechts tot aftrek huurkosten en overige lasten bij een zelfstandige zakelijke werkruimte

 

Tot en met 2016 kon een IB ondernemer (dus geen BV), wanneer hij 10% of meer van zijn woning zakelijk gebruikte, en hij vanuit de huurwoning werk verrichtte voor de onderneming, het huurrecht geheel zakelijk etiketteren. Bij geheel zakelijk etiketteren kon de gehele huurbetaling (wel verminderd met de ontvangen huursubsidie) van de winst afgetrokken worden. Er moest een bedrag ter grote van het huurwaardeforfait van de woning bij de winst geteld worden. (let op! De belastingdienst stelt zich op het standpunt dat algehele aftrek niet gold voor de energielasten enzovoorts. Die konden wel naar gebruik worden ingedeeld als zakelijk en niet zakelijk. Verdeling zakelijk en privé bijvoorbeeld op basis van aantal zakelijk gebruikte vierkante meters versus het totaal). Kiezen voor geheel zakelijk etiketteren gebeurde aan het begin van het zakelijk gebruik. (Meestal bij de start van de onderneming, of bij het aangaan van het huurcontract.) Een eenmaal gemaakte keuze kon niet meer gewijzigd worden bij ongewijzigd gebruik. De belastingdienst is van mening dat de uitspraak van de Hoge Raad in 2016 (die bevestigde, dat deze aftrek zo juist was) geen nieuwe wetgeving is. Bij veranderde wetgeving kan namelijk de keuze wel opnieuw gemaakt worden.

Vanaf 2017 wordt niet meer gekeken naar het percentage zakelijk gebruik van de woning, maar naar het feit of de werkruimte, economisch als zelfstandig gezien kan worden. (Eigen ingang, eigen toilet enz.). Er wordt aangesloten bij de regelgeving, zoals die al gold voor woningen in eigendom. Omdat dit voor de belastingdienst een extra belastingopbrengst geeft, wordt deze weer teruggegeven aan de IB ondernemer. De aftrekbeperking van de beperkt aftrekbare kosten (denk aan bijvoorbeeld uitgaven voor voedsel en drank, relatiegeschenken) wordt voor een IB ondernemer 20%. (was 26,5%). Voor een BV blijft deze dus 26,5%. (Beperking van de aftrek maximaal € 4.500 cq 0,4% van de loonsom als dit meer is dan € 4.500)

 

 

 

9. Soms uitkering uit SEW/KEW/BEW ondanks premiebetaling korter dan 20 of 15 jaar toch vrijgesteld van belasting over rentedeel in de uitkering

 

Het rentedeel in de uitkering van een Kapitaal verzekering eigen woning, (KEW), Spaarrekening eigen woning (SEW), Beleggingsverzekering eigen woning (BEW) is belast in Box 1 als deze voortijdig, (voor het vereiste aantal jaren premiebetaling, 15 of 20 jaar) tot uitkering komt. Echter in sommige gevallen gold de vrijstelling voor belastingheffing toch. Dit was al geregeld in een beleidsbesluit, maar wordt nu bij wetgeving geregeld, tevens vindt er een verdere verruiming van de vrijstellingsmogelijkheid plaats.

 

Ook vrijstelling belastingheffing (voor zover uitkering onder maximaal bedrag blijft) over rentedeel bij:

- Beëindiging van het fiscaal partnerschap, denk aan echtscheiding of verbreken samenwoning

- Schuldhulpverlening op grond van de WSNP

- Het vervreemden van de eigen woning, ondanks dat direct daarna opnieuw, of nog steeds, een eigen woning ter beschikking staat.

- Bij (toekomstige) financiële problemen. De woonlasten kunnen niet meer voldaan worden.(denk hierbij aan belangrijke verlaging van het inkomen door bijvoorbeeld werkloosheid, arbeidsongeschiktheid)

De uitkering uit de KEW/SEW/BEW moet worden gebruikt om de schuld eigen woning af te lossen.

 

 

10. Wetsvoorstel Pensioenen in eigen Beheer

 

Het wetsvoorstel Pensioenen in Eigen Beheer, wat al was goedgekeurd door de tweede kamer is teruggetrokken en is niet meer ingediend bij de eerste kamer.

Deze wet zou:

- de pensioenopbouw mogelijkheid in eigen beheer stoppen,

- de mogelijkheid bieden de pensioenen af te stempelen naar de fiscale waarde,

- en vervolgens zou het tevens mogelijk zijn dit geheel af te kopen in 2017, 2018 en 2019, of af te storten naar een lijfrenterekening bij een bank. Indien het pensioen afgekocht zou worden, dan zou geen revisierente meer verschuldigd zijn én er zou een hoge korting op de verschuldigde belastingen worden gegeven.

 

Vele DGA's met een pensioen in eigen beheer zouden verlost zijn van de dividendklem. Uitleg: Voordat je tot dividend uitkering kunt over gaan, ben je verplicht de uitkeringstest positief te doorstaan. Uitkeringstest: "Kan mijn onderneming na dividend uitkering aan haar verplichtingen blijven voldoen?" Deze vraag moet vaak met 'nee' beantwoord worden, omdat rekening gehouden moet worden met alle voorzienbare verplichtingen. De verplichting uit hoofde van de pensioentoezegging, zal hierbij voor de commerciële waarde (het bedrag wat betaald moet worden aan een verzekeringsmaatschappij, om het pensioen te kunnen uitkeren), genomen moeten worden. De commercieel berekende pensioenverplichting is nu, vrijwel altijd, vele malen hoger dan de fiscale waarde van de voorziening voor de pensioenverplichting. Berekening van de fiscale voorziening voor de pensioenverplichting, kan alleen tegen de voorgeschreven fiscale rekenmethode. Belangrijkste verschil in berekening: fiscaal wordt gesteld dat het kapitaal altijd 4% rendeert, de verzekeringsmaatschappijen gaat uit van het rendement op staatsobligaties, momenteel belangrijk lager dan 4%)

 

 

 

11.Teruggave btw voor oninbare vorderingen

 

Wanneer je oninbare vorderingen had, kon je, de eerder afgedragen btw, middels een apart verzoek aan de belastingdienst terugvragen. Dit kostte nogal wat tijd en moeite. Met ingang van 2017 is dit niet meer nodig. Indien de vordering 1 jaar na opeisbaarheid (dit is de datum waarop de factuur betaald moet zijn) nog niet ontvangen is, dan kan de btw met de gewone btw aangifte teruggevraagd worden. Alle op 1 januari 2017 opeisbare vorderingen krijgen als datum 1 januari 2016. Dit betekent dat op 1 januari 2017 voor het eerst de btw zo teruggevraagd kan worden. Onder welke rubriek dit in de aangifte ingevuld moet worden, zal pas in de loop van het jaar duidelijk gegeven worden. Wordt de vordering, en daarmee de btw, alsnog ontvangen dan ben je de btw (gedeeltelijk, indien gedeeltelijk ontvangen) weer verschuldigd.

Als tegenhanger: Heb je schulden, waarvan je de btw al had teruggevraagd, een jaar na opeisbaarheid nog niet betaald, dan moet de btw weer afgedragen worden. (Dit was tot nu toe ook het geval, de termijn was echter 2 jaar).

 

 

12. Webwinkels en levering aan particulieren in het buitenland, Nederlandse of buitenlandse BTW?, en hoe zit dat bij dropshipping?

 

Nederlandse webwinkels leveren vanuit Nederland nu vaak goederen aan particulieren in het buitenland. Deze webwinkels moeten zich dan in het buitenland bij de belastingdienst gaan melden, omdat er dan ook buitenlandse BTW verschuldigd is. Echter, meestal is er sprake van een drempel voor deze omzet (per land). De meeste landen hebben een drempel van € 35.000 op jaarbasis. Als de omzet aan particulieren in het land onder de drempel, dan is er Nederlandse belasting verschuldigd. De afstandsverkopen regeling.

 

Dit kan anders zijn bij dropshipping. Bij dropshipping wordt door bijvoorbeeld een Nederlandse webwinkel goederen aan particulieren verkocht, echter levering van de goederen vindt plaats direct vanuit de producent/leverancier aan de particulier. (De webwinkel heeft dan geen eigen magazijn). We gaan ervan uit dat de webwinkel wel de goederen juridisch in eigendom krijgt. (het contract met producent/leverancier is leidend). Als de producent/leverancier en de webwinkel beiden in Nederland gevestigd zijn, dan geldt bovenstaande, is echter de producent/leverancier niet in Nederland gevestigd, dan is de webwinkel voor verkoop van de goederen aan de buitenlandse particulier vanaf de eerste euro buitenlandse btw verschuldigd. (Dit valt niet onder afstandsverkopen!) De webwinkel dient zich bij de buitenlandse belastingdienst te melden!

 

 

13. Zakelijk etiketteren voor de BTW van aankoop Onroerend Goed met werkruimte, en de herzieningsregeling BTW

 

Wanneer je onroerend goed met een werkruimte koopt, en deze 100% zakelijk etiketteert voor de BTW dan kan btw teruggevraagd worden. (Let op, voor de BTW gelden niet dezelfde regels als voor de Inkomstenbelasting, zoals de zelfstandigheids eis van de werkruimte, en je hoeft dit onroerend goed voor de inkomstenbelasting niet zakelijk te etiketteren.) Als de werkruimte 20% is, kan ook 20% van het totaal met de aankoop in rekening gebrachte BTW teruggevorderd worden. Het is wel zo, dat wanneer het gebruik in de 9 jaren na het jaar van aankoop wijzigt, (je gaat bijvoorbeeld nog maar 10% zakelijk gebruiken), deze btw aftrek herzien moet worden, en je een correctie voor de btw moet aangeven. (Je had bijvoorbeeld € 20.000 bij de aankoop van het onroerend goed teruggevraagd op basis van 20% gebruik, dit is elk jaar als het ware € 2000 voorbelasting. Is het gebruik in een jaar slechts 10%, dan moet je in dat jaar alsnog het verschil, van de aan dat jaar toe te rekenen voorbelasting corrigeren. (Correctie € 1000.). Wordt daarentegen het gebruik 30% in een jaar dan krijg je extra omzetbelasting terug. (Let op! Als je het pand voor de btw in eerste instantie maar voor 20% zakelijk etiketteert, dan krijg je wanneer je het pand 30% zakelijk gaat gebruiken geen extra btw meer terug. Eens privé blijft privé. Dus altijd 100% zakelijk etiketteren!

 

 

14. Lage Inkomens Voordeel (LIV) uit de wet tegemoetkomingen loondomein

 

Per 1 januari 2017 gaat er een tegemoetkoming gelden voor lonen tussen de 100% en 125% van het wettelijk minimum loon. (In de eerdere plannen was dit nog tussen de 100% en 120%)

 

Verdiend iemand tussen de 100% en 110 % van het wettelijk minimum loon (per 1 januari 2017

€ 1551,60 voor een fulltimer, 23 jaar en ouder), én betaalt hij deze weknemer in een jaar 1248 uur, dan wordt er door het UWV, in september van het opvolgend jaar, voor deze werknemer

€ 1,01 per uur betaald aan de werkgever, maar maximaal € 2.000. Bij loon tussen de 110% en 125% van het wettelijk minimum loon is deze € 0,51 per uur, en maximaal

€ 1.000. Let op! Wanneer je iemand bijvoorbeeld in juli 2017 fulltime aanneemt voor het wettelijk minimum loon, dan komt hij voor 2017 niet in aanmerking voor LIV, omdat hij geen 1248 uur betaald krijgt in 2017. (Hetzelfde geldt voor iemand, die ontslag neemt in juli van 2017)

 

In 2018 worden de huidige premiekortingen (Bijvoorbeeld korting oudere werknemer, of arbeidsgehandicapte werknemer) omgevormd tot een tegemoetkoming. Uitbetaling vindt dan ook pas in september een jaar later plaats. Nu wordt de korting steeds van de verschuldigde loonheffing afgetrokken.

 

Alleen in 2017 kan er sprake zijn van een samenloop van LIV en premiekorting, in 2018 niet meer.

 

 

 

15. Afkopen kleine pensioenen gelden soms niet als inkomen voor de toeslagen

 

Soms vindt afkoop door een pensioenfonds van een klein pensioen plaats. In eerste instantie verhoogd dit het inkomen, en kan dit heel nadelig zijn voor de toeslagen in het jaar van afkoop. Middels invulling van het formulier "Verzoek bijzondere situaties" kan het bedrag van de afkoop pensioen, (indien afgekocht pensioen op jaarbasis minder dan € 465 (2017) zou zijn) buiten beschouwing blijven bij de bepaling van de toeslagen. Let op: er kan sprake zijn van afkopen pensioen van in het totaal hoger dan € 465. Als dit echter per pensioenfonds een lager pensioen zou geven dan € 465, dan zijn deze afkopen allemaal geen inkomen voor de toeslagen).

 

 

16. Aanvaarden erfenis en het risico voor het tevens aanvaarden van schulden, wat is er gewijzigd.

 

Als je een erfenis zuiver aanvaard, dan worden ook alle schulden van de erflater aanvaard. Dit kon je voorkomen door de erfenis beneficiair te aanvaarden, of te verwerpen. Beneficiair aanvaarden moet volgens wettelijke regels en kost tijd en geld. Je liep risico, dat je door je handelen, onbedoeld aan hebt gegeven, dat je de erfenis zuiver aanvaard hebt. Bijvoorbeeld door leeghalen huis van de overledene, of de auto van de overledene alvast op marktplaats aanbieden. Na de wetswijziging leidt het leeghalen van het huis niet automatisch tot het zuiver aanvaarden van de erfenis, pas bij het verkopen en onttrekken van goederen, is de erfenis zuiver aanvaard. De erfgenaam kan nu ook nog terugkomen op zijn keuze, als hij aansprakelijk wordt gesteld voor onverwachte schulden van de overledene. (Hij moet bij aanvaarding te goeder trouw zijn geweest en geen kennis hebben gehad van die schuld. Hypotheekschulden, belastingschulden en schulden vanwege overbedeling aan kinderen uit eerdere nalatenschap zijn geen onverwachte schulden.) Keuze herzieningstermijn: drie maanden na ontdekking van deze schuld. Wel moet het reeds ontvangene alsnog worden terug betaald ter voldoening van deze schuld.

 

 

 

navolgende gepubliceert: DECEMBER 2015

 

 

 

 

2. Aftrekbaarheid schuld kinderalimentatie in BOX III voor de jaren 2015 en 2016.

 

Indien het voldoen aan een onderhoudsplicht (partneralimentatie en kinderalimentatie) leidde tot een aftrek in box I, dan was de verplichting, tot het voldoen aan deze schuld, niet een box III schuld. Met ingang van 2015 leidt de onderhoudsverplichting ten behoeve van het kind (kinderalimentatie) niet meer tot een aftrekpost in box I. Hierdoor wordt deze verplichting dus wel weer een box III schuld. Dit is met wetgeving gerepareerd, maar deze reparatiewetgeving gaat in vanaf 2017. Dan pas wordt deze schuld weer uitgesloten als box III schuld. Voor de jaren 2015, en 2016 geldt de schuld uit hoofde van kinderalimentatie dus als box III schuld.

 

 

3. Vervallen minimum waarderingsregeling bij afkoop van lijfrenten

 

Per 1 januari 2016 geldt niet meer dat de belasting en revisierente bij afkoop van een lijfrente minimaal wordt berekend over de in het verleden afgetrokken premies. De waarde in het economisch verkeer wordt nu uitgangspunt. Tot 2016 kon het zijn dat er meer belasting betaald moest worden, dan er werd uitgekeerd. De waarde van de lijfrente was dan gedaald door slechte beleggingsresultaten en kosten. Voor situaties van voor 2016 kan ambtshalve vermindering gevraagd worden. (Dan moet de uitkering minder zijn dan de te betalen belasting en revisierente uit hoofde van de afkoop van de lijfrente).

 

 

 

 5. Schenkingsvrijstelling € 100.000 ten behoeve van Eigen Woning in 2017 en daarna

 

Vanaf 1 januari 2017 wordt het structureel weer mogelijk om belastingvrij € 100.000 te schenken aan een ander ten behoeve van de eigen woning van die ander, echter:

- Degene aan wie geschonken wordt, moet tussen de 18 en 40 jaar zijn.

- En in de jaren 2010 tot en met 2014 is niet reeds een beroep gedaan op de toen geldende vrijstelling van schenking door dezelfde schenker.

- Is er in de jaren 2015 en 2016 een beroep gedaan op verhoogde vrijstelling (die ging tot

€ 52.752), dan mag deze, tot 1 januari 2019, opgehoogd worden tot € 100.000.

- De schenking mag plaatsvinden verspreid over drie opeenvolgende jaren. (Vaak gunstig om bij aflossing eigen woningschuld de boeterente te beperken).

 

 

6. Aanmerkelijk belang, emigratie en conserverende aanslag.

 

Bent u in het bezit van een aanmerkelijk belang (houder van meer dan 5% van de aandelen van een vennootschap of coöperatie) en emigreert u, dan wordt de emigratie aangemerkt als een fictieve vervreemding van deze aandelen. Over de berekende fictieve vervreemdingswinst wordt een conserverende aanslag (25% belasting) opgelegd. De aanslag wordt opgelegd, maar er wordt meteen uitstel verleend voor het betalen bedrag. Na tien jaar kon voor deze conserverende aanslag, voor zover niet geïnd, een verzoek tot kwijtschelding worden gedaan. Dit is vanaf 15 september 2015 (15 uur 15) niet meer mogelijk.

Het doel is nu dat de 25% heffing te allen tijde wordt geïnd. De aanslag gaat slechts teniet door:

-  afboeking van betaling van dividendbelasting en /inkomstenbelasting box II  over dividenduitkering op deze aandelen:

- of 25% heffing over winst bij verkoop van de aandelen tot het bedrag van de nog openstaande conserverende aanslag.

 

 

 

8. Bijtellings percentages "auto van de zaak" in de loonheffing/ inkomstenbelasting en motorrijtuigenbelasting.

 

Met de aankoop van een nieuwe "auto van de zaak" wordt een bijtellingspercentage vastgesteld. Normaal is deze 25%, maar voor sommige type auto's geldt steeds voor 60 maanden een mogelijk lager percentage. Bijtelling in de loonheffing en inkomstenbelasting wordt: percentage maal cataloguswaarde auto. Deze cataloguswaarde kan op de site van het RDW worden opgezocht met behulp van het kenteken.

 

In 2016 worden de bijtellingspercentages:

1. Volledige elektrische auto: 4 %. (was 4%)

2. Hybride auto, uitstoot CO2 tot 50 gram: 15% (was 7%)

3. Zeer lage CO2 uitstoot: tussen de 50 en 82 gram: 21% (was 14%)

4. Lage CO2 uitstoot tussen de 83 en 110 gram: 21% (was 20%)

5. Overige auto's: 25% (was 25%)

 

In 2016 gaat de hybride auto motorrijtuigenbelasting betalen, en wel het halve tarief, minus kleine correctie. Een auto van 1785 kg betaalt dan ongeveer € 45 per maand. Dit was € 0 in 2015.

 

Na 2016:

1: Volledig elektrische auto. Bijtelling blijft 4%.( Vanaf 2019 wordt de korting voor de eerste € 50.000 gegeven, ligt de cataloguswaarde hierboven, dan voor het meerdere 22%).

2. Hybride auto, auto CO2 uitstoot minder dan 50 gram. Bijtelling wordt in 2017 17% in 2018 19% en in 2019 22%.

3. en 4. Auto's met CO2 uitstoot tussen de 50 en 110 gram: gaan naar 22 % in 2017 en dit blijft zo.

5. Overige auto's: 22%. Deze 22% geldt alleen voor de na 1 januari 2017 gekochte nieuwe auto's. Auto's die al een bijtellingspercentage van 25% hadden, houden dit percentage. Verstandig is het dus om de aankoop van een dergelijke auto uit te stellen tot na 1 januari 2017.

 

De motorrijtuigenbelasting van de hybride auto gaat in 2017 iets omhoog en in 2018 naar 3/4 van het normale tarief.

 

Motorrijtuigenbelasting van diesels zonder roetfilter (fabriekaf) krijgen met ingang van 2019 met een toeslag van 15% te maken. (Deze toeslag geldt niet voor zakelijk gereden bestelauto's van jonger dan 2007, en de toeslag kan niet voorkomen worden door alsnog een roetfilter in te bouwen)

 

 

9. Uitbreiding vrijstelling omzetbelasting medische en paramedische beroepen.

 

Vanaf de datum van het arrest van de Hoge Raad 27 maart 2015 is het mogelijk dat een medische cq paramedische behandeling door een niet BIG geregistreerde beroepsbeoefenaar toch vrijgesteld is van BTW. De Hoge Raad geeft aan dat op basis van fiscale neutraliteit soortgelijke diensten, als die door de BIG geregistreerden, fiscaal op dezelfde wijze moeten worden behandeld. Eisen van kwaliteit mogen worden gesteld, maar kan aangetoond worden. Bijvoorbeeld door hoogte van de opleiding en acceptatie in de branche. (Acceptatie: Er wordt door huisartsen doorverwezen naar de behandelaar, of de behandeling wordt vergoedt door de Zorgverzekeringswet).

Op basis van deze uitspraak is de behandeling van een Chiropraktor, die aan de kwaliteitseisen voldoet, vanaf 27 maart 2015 vrijgesteld van omzetbelasting. De Chiropraktor geeft namelijk vrijwel eenzelfde behandeling als een BIG geregistreerde fysiotherapeut.

 

Er zijn onderhandelingen gaande met brancheverenigingen over verdere vrijstelling op grond van dit arrest.

 

Ook is er een uitspraak geweest van het Hof dd 11 september 2015 over deze BTW vrijstelling. De acupunctuurbehandeling van een arts werd alsnog als vrijgestelde activiteit beschouwd. Bij de behandeling was de deskundigheid als arts bepalend. De behandeling viel uit hoofde hiervan onder het tuchtrecht. En de arts had een postacademische opleiding als acupuncturist.

 

 

10. Nieuwe regeling aanwijzing DGA.

 

Een Directeur Groot Aandeelhouder is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Met ingang van 1 januari 2016 is er een nieuwe regeling aanwijzing DGA van toepassing.

 

Het gaat om diegene die:

- Een dienstbetrekking heeft met een vennootschap (BV, NV of een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap). Dus in eerste instantie niet een stichting of coöperatie

- En statutair bestuurder is van deze vennootschap. (Er wordt transparant door holdingstructuren naar de feitelijke bestuurder gekeken)

- En in het bezit is van aandelen van deze vennootschap (ten minste 1 aandeel)

- En zijn eigen ontslag kan tegenhouden.

 

Wanneer een bestuurder alleen of samen met zijn echtgenoot 50% van de aandelen houdt, die beslissen over zijn ontslag, dan is hij DGA en niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Als echtgenoot geldt huwelijkse partner en geregistreerde partner, maar ook degene met wie hij een gezamenlijke huishouding voert en geen kind is. (Dus hier kan ook de broer of zus, met wie gezamenlijk een huishouding wordt gevoerd, meetellen).

 

Wanneer een bestuurder niet voldoet aan deze 50%, dan wordt gekeken naar het totaal van de eigen aandelen en naar het aandelenpakket van alle bloed en aanverwanten. Is dit twee derde of meer van het totaal van de aandelen, dan is de bestuurder ook DGA. (In 2015 telde bij deze berekening het pakket van de bestuurder zelf niet mee).

 

Daarnaast is er nog een regeling voor nevengeschiktheid van bestuurders.

Bezitten alle statutaire bestuurders alle aandelen van een vennootschap en is het bezit gelijk verdeeld over deze bestuurders, dan zijn deze bestuurders DGA.(In 2015 was alleen gelijke verdeling over bestuurders van de aandelen een eis voor nevengeschiktheid, niet het totale bezit van alle aandelen door de bestuurders)

Nu gaat het om het economisch pakket van aandelen, oftewel de maatschappelijk geplaatste aandelen.

 

 

11. Enkele zaken met betrekking tot de werkkostenregeling

 

In het belastingplan 2016 komt men tot aanscherping van de gebruikelijkheids toets. De gebruikelijkheids toets wordt verder uitgelegd.

1. Een werkgever wijst zelf loonbestanddelen aan als eindheffingsloon....maar ...ook deze aanwijzing moet gebruikelijk zijn! Het is niet gebruikelijk om het bruto loon of vakantiegeld aan te wijzen als loon voor de eindheffing.

 2. Een hoge uitdeling en vergoeding aan een werknemer is eveneens, mogelijk niet gebruikelijk. (Dit kan gaan spelen bij verstrekkingen en vergoedingen aan één werknemer, die in het totaal boven € 2.400 uitgaan.)

3. Er wordt bij het gebruikelijkheid zijn van vergoedingen en verstrekkingen gekeken naar de vergoedingen en verstrekkingen van deze werkgever in het verleden, naar verdeling over de werknemers, en naar de andere werkgevers in dezelfde branche.

Verstrekkingen en vergoedingen aan één persoon tot € 2.400 wordt gebruikelijk geacht.

 

Let op met het vragen van een eigen bijdrage aan een werknemer voor een verstrekking! Indien een eigen bijdrage van een werknemer wordt gevraagd voor een verstrekking (zoals een bijvoorbeeld een bepaalde telefoon), die eerst door de werkgever was aangewezen als noodzakelijk voor de functie, en dus gericht vrijgesteld was, dan is deze, door het vragen van een eigen bijdrage niet meer gericht vrijgesteld, en valt in de vrije ruimte. Als de eigen bijdrage slechts wordt gevraagd om bijvoorbeeld de meerkosten van een duurdere telefoon te bekostigen, dan blijft de telefoon gericht vrijgesteld door aanwijzing als noodzakelijk voor de functie.

 

Als er uit de berekening blijkt, dat het totaal van de, binnen de vrije ruimte vallende vergoedingen en verstrekkingen, uitgaat boven de berekende vrije ruimte (1,2% totaal fiscaal loon) dan moet er nog eindheffing 2015 betaald worden. Dit moet in de loonheffingsaangifte over januari 2016 worden aangegeven.

 

 

12. Wet tegemoetkoming loondomein met ingang van 1 januari 2017?

 

In de Wet tegemoetkoming loondomein, die met ingang van 2017 van kracht moet gaan, is geregeld dat er een tegemoetkoming aan werkgevers gaat komen, die werknemers in dienst hebben, die tussen 100 en 120% van het minimum loon verdienen (Loonuren zijn bepalend). Als het ware een herleving van de subsidie lage lonen uit het verleden.

 

Tevens wordt in deze wet geregeld, dat met ingang van 2018 de huidige premiekortingen (bijvoorbeeld: premiekorting voor in dienst nemen oudere uitkeringsgerechtigde) worden omgezet naar tegemoetkomingen voor de werkgever.

 

 

13. Niet de BGL beschikking maar de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties zorgt er straks voor dat de VAR verklaring verdwijnt.

 

De wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties, die momenteel nog aangenomen moet worden door de eerste kamer, zal waarschijnlijk ingaan per 1 april 2016. Deze wet zal de geldigheid van de VAR verklaringen op ingangsdatum van de wet beëindigen.

 

De Var verklaring, (Verklaring Arbeids Relatie), geeft aan hoe de verhouding tussen opdrachtnemer en opdrachtgever is. De VAR WUO (Winst Uit Onderneming) geeft een opdrachtgever de zekerheid dat er geen loonheffing behoeft te worden ingehouden en dit dus ook nooit nagevorderd kan worden.

 

Daarvoor in de plaats komt niet de BGL, Beschikking Geen Loonheffing (zie vorige nieuwsbrief), maar...

 

Om toch zeker te weten dat er geen sprake is van een dienstbetrekking tussen een opdrachtgever en opdrachtnemer kan men gaan werken met een vooraf door de belastingdienst goedgekeurde overeenkomst. Als de bepalingen uit deze goedgekeurde overeenkomst in de praktijk worden nageleefd, heeft de opdrachtgever weer de zekerheid dat er geen loonheffing behoeft te worden ingehouden.

 

De belastingdienst heeft op haar site (www.belastingdienst.nl/ozo) reeds goedgekeurde overeenkomsten gepubliceerd. Hier vindt je standaard overeenkomsten (opgesteld door de belastingdienst), branche en sector overeenkomsten (opgesteld door brancheorganisaties) en individuele overeenkomsten. Als opdrachtgever en opdrachtnemer één van deze goedgekeurde overeenkomsten gaan gebruiken, dan is er zekerheid dat er geen loonheffing behoeft te worden ingehouden door de opdrachtgever. Wordt er gewerkt met een eigen overeenkomst dan is er alleen vooraf zekerheid omtrent inhouding loonheffing als deze overeenkomst ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de belastingdienst. De goedkeuring van de overeenkomst geldt voor 5 jaar.

 

Men heeft tot aan 1 januari 2017 de tijd om te gaan voldoen aan een goedgekeurde overeenkomst.

 

Het is niet verplicht om met een overeenkomst te werken! Alleen als de opdrachtgever van tevoren zekerheid wil hebben dat er geen loonheffing behoeft te worden ingehouden, en dus ook niet nagevorderd kan worden, dan is daarvoor dit systeem met goedgekeurde overeenkomsten.

 

 

14. Aanvragen toeslagen en enkele veranderingen in het Toeslagensysteem.

 

Om een toeslag te ontvangen moet deze wel eerst aangevraagd zijn. De toeslag Kindgebonden Budget behoeft niet altijd apart te worden aangevraagd. Maar ontvangt u geen andere toeslagen dan moet u misschien toch een aanvraag indienen voor deze toeslag. Als er in een jaar geen voorschotbeschikking voor een toeslag meer is afgegeven, omdat er in het voorgaand jaar geen recht bleek op de toeslag, en er op basis van het inkomen wel weer recht zal zijn op een toeslag, dan moet opnieuw een aanvraag worden gedaan. En wel voor 1 september van het opvolgend jaar. Indien u in de uitstelregeling van uw belastingadviseur bent opgenomen, is deze aanvraag termijn langer. De Kinder Opvang Toeslag moet binnen drie maanden, na de maand dat uw kind voor het eerst naar de opvang gaat, zijn aangevraagd.

 

Let op: Bent u een alleenstaande ouder en kreeg u over 2014 geen toeslag Kindgebonden Budget, omdat uw inkomen hoger was dan € 46.000? Dan kan het zijn dat u deze toeslag nu wel krijgt voor 2015 en volgende jaren. Uw inkomen is dan minder dan € 92.000. U heeft daarover bericht gehad van de dienst toeslagen. Geen bericht? En u voldoet wel aan de voorwaarden? Dan kunt u deze toeslag aanvragen via mijn toeslagen.nl

 

Uw kind gaat naar de Peuterspeelzaal?

Vanaf 1 januari 2016 kunt u ook Kinder Opvang Toeslag krijgen als uw kind naar de Peuterspeelzaal gaat. Let op dat u de aanvraag voor deze toeslag tijdig doet! (Zie boven).

 

De Voorschot beschikkingen toeslagen over 2016 worden digitaal aan u gezonden. U vindt de beschikking en correspondentie op Mijn toeslagen.nl en op Mijn Overheid.nl, waar u met behulp van Uw DIGID moet inloggen.

 

 

15. Verandering in jaarrekeningrecht en introductie micro onderneming.

 

In november van 2015 is het jaarrekeningrecht voor rechtspersonen zoals oa BV's en NV's aangepast met betrekking tot de grensbedragen die bepalen of een onderneming groot, middelgroot of klein is. Daarnaast is de micro onderneming geïntroduceerd.

 

Een onderneming is klein als de onderneming aan twee van de volgende drie bepalingen voldoet - Balanstotaal maximaal € 6 miljoen, (was € 4,4 miljoen)

- Netto Omzet maximaal € 12 miljoen, (was € 8,8 miljoen)

- minder dan 50 werknemers.

Een kleine onderneming geniet vrijstellingen:

- op het gebied van inrichting van de jaarverslaggeving.

- op het gebied van publicatie (oa vrijstelling van publicatie van winst en verliesrekening)

- op het gebied van controle. Er is voor de kleine onderneming geen verplichte accountantscontrole.

 

Er is sprake van een micro onderneming als minimaal twee opeenvolgende jaren voldaan wordt aan twee van de drie volgende bepalingen. (geconsolideerde cijfers)

- Balanstotaal minder dan € 350.000 (Grondslag de verkrijgingsprijs)

- Netto Omzet minder dan € 700.000

- Gemiddeld minder dan 10 werknemers.

 

 Micro ondernemingen krijgen nog meer vrijstellingen bij inrichting van de jaarrekening en de publicatiestukken. Zij behoeven slechts een heel beperkte Balans en Winst en Verliesrekening op te stellen.

 

 

16. Nieuwe regeling voor buitenlands belastingplichtigen

 

Een buitenlands belastingplichtige is iemand die niet woont in Nederland maar wel Nederlands belastbaar inkomen geniet.

.

Met ingang van 1 januari 2015 vervalt het keuzerecht voor een buitenlands belastingplichtige om te kiezen om behandeld te worden als een binnenlands belastingplichtige. Door te kiezen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige kon de buitenlands belastingplichtige genieten van fiscale voordelen, bijvoorbeeld aftrek rente eigen woning en uitbetaling heffingskortingen.

 

Hiervoor in de plaats komt nu: de "kwalificerende buitenlands belastingplichtige".

Indien een buitenlands belastingplichtige

- woont in een EU lidstaat, EER, Zwitserland of BES eilanden,

- en 90% of meer van zijn belast inkomen bestaat uit inkomen, dat door Nederland belast mag worden,

- en beschikt over een woonlandverklaring van de fiscale autoriteit van het woonland, die bovenvermelde bevestigd.

- of valt onder uitzonderingssituatie van AMVB lid 8,

dan is deze buitenlands belastingplichtige een "kwalificerende buitenlands belastingplichtige" en worden Nederlandse fiscale faciliteiten verleend.

 

De "kwalificerende buitenlands belastingplichtige" kan onder voorwaarden een fiscaal partner hebben.(deze voorwaarden worden in deze nieuwsbrief niet nader uitgewerkt).

 

Let op! Het gaat hier over belastingheffing, niet over premieheffing voor de volksverzekeringen. In Nederland bestaan de eerste twee tariefschijven uit premieheffing en belastingheffing tezamen.

 

Als iemand Nederlands premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen, dan wordt deze premie over het wereldinkomen geheven.

 

 

17. Nieuw belastingverdrag met Duitsland.

 

Per 1 januari 2016 gaat het nieuwe belastingverdrag met Duitsland gelden. Er is een overgangsregeling. Voor het jaar 2016 kan er nog voor gekozen worden de regelingen uit het oude verdrag toe te passen.

 

In dit verdrag wordt onder andere geregeld welk land over welke inkomsten belasting mag heffen.

 

Veranderingen met betrekking tot het oude verdrag zijn er op het gebied van wie belasting mag heffen over:

- pensioenen, lijfrente en uitkeringen: In het oude Verdrag was bijvoorbeeld een AOW uitkering uit Nederland voor een inwoner van Duitsland belast in Nederland, onder het nieuwe verdrag is deze uitkering, indien deze minder is dan € 15.000 belast in Duitsland (mits er verder geen andere pensioenen, lijfrenten en uitkeringen uit Nederland zijn). Boven de € 15.000 mag Nederland heffen. Uitzondering: Pensioenuitkeringen uit Nederland aan Nederlandse ambtenaren waren in Nederland belast en blijven in Nederland belast.

- bestuurdersbeloningen. De staat waar de onderneming gevestigd is mag belasting heffen over de bestuurdersbeloning. Dit was voorheen de staat waar de werkzaamheden plaatsvonden.

 

Er is in dit verdrag ook een compensatieregeling voor grensarbeiders opgenomen. Iemand die in Nederland woont maar werkt in Duitsland, kan kiezen om een compensatie te krijgen, wanneer de Duitse belasting en premieheffing hoger is, dan de Nederlandse belasting en premieheffing zou zijn. (Dit kan zo zijn door bijvoorbeeld hypotheekrente van de eigen woning, die wel in Nederland maar niet in Duitsland tot aftrek leidt). Zo ondervindt de in Duitsland werkende Nederlander geen netto nadeel.

 

 

18. Varia

 

Vanaf 1 januari 2016 zal een deel van de post van de belastingdienst digitaal verzonden worden. Deze post vindt u op mijn overheid.nl. Inloggen met DIGID.

 

De verhoging heffingsvrij vermogen voor AOW 'ers (ouderentoeslag), verdwijnt per 1 januari 2016. Dit was extra belastingvrij vermogen in box III van € 28.236 (inkomen lager dan

€ 14.036 ), of € 14.118 (inkomen lager dan € 20.075). Verdere voorwaarde: totaal vermogen lager dan € 282.226 (of € 564.451 bij fiscale partners). Er moet meer belasting in box III betaald worden. Daarnaast kunnen er ook (zeer) nadelige gevolgen zijn voor toeslagen zoals zorgtoeslag en huurtoeslag. Verdere informatie staat op www.toeslagen.nl.

 

Vanaf 1 januari 2016 is het rentevoordeel op een personeelslening 2016 belast loon. (Kan niet als eindheffingsloon worden aangewezen)

 

Volledig contante uibetaling van salaris is vanaf 1 januari niet meer toegestaan.

 

Met ingang van 1 januari 2016 moet maandelijks ICP listing gedaan worden, als uw onderneming goederen importeert uit een EU land voor meer dan € 50.000 per kwartaal. Dit was € 100.000. (Let op het gaat om goederen niet om diensten). Blijft het bedrag onder deze € 50.000 dan mag per kwartaal aangifte gedaan worden.

 

 

 

 

 

Navolgende gepubliceert: JANUARI 2015

 

 

1. Gevolgen te late indiening aangiften inkomstenbelasting en vennootschapbelasting

 

Indien een aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting niet tijdig wordt ingediend, dan ontvangt u een aanmaning tot het doen van aangifte. U krijgt dan meestal nog 14 dagen de tijd om de aangifte alsnog te doen. Doet u binnen deze 14 dagen aangifte, dan krijgt u geen verzuimboete. Omdat de aangifte toch te laat was, wordt geen voorlopige negatieve aanslag meer opgelegd. U moet dan wachten tot de oplegging van de definitieve aangifte.Tevens wordt geregistreerd dat u te laat was met indienen.

 

 Bent u 2 maal te laat binnen 3 jaar, dan wordt u geblokkeerd voor de uitstelregeling voor belastingconsulenten. (Uitstel geregeld door uw belastingadviseur).U kunt dan alleen nog individueel uitstel aanvragen. Individueel uitstel geeft uitstel voor aangifte Inkomstenbelasting tot september en aangifte vennootschapsbelasting tot november.

 

Als door ziekte de uitsteldatum niet gehaald kan worden, dient dit voor die datum aan de belastingdienst kenbaar gemaakt te worden. Dan volgt een individuele regeling.

 

 

2. Vrijstelling BTW nu ook voor zzp’ers in het ziekenhuis.

 

De Hoge Raad heeft op 30 juni 2014 een belangrijke uitspraak gedaan voor de zzp’er in het ziekenhuis. Als een zzp’ er ondernemer een wezenlijk deel van de werkzaamheden van een ziekenhuis uitoefent valt zij onder de vrijstelling van artikel 1 C. (ziekenhuizen). Dit geldt bijvoorbeeld voor de zzp’ers zoals operatieassistenten, anesthesieassistente.

De BIG geregistreerde medische zzp’er is eveneens vrijgesteld van BTW op grond van artikel 11 G.

Paramedische diensten zijn niet vrijgesteld, ook niet als deze door een BIG geregistreerde arts worden uitgevoerd. Ook accupunctuur valt hieronder volgens de belastingdienst. Hierover zijn momenteel proefprocedures.

 

 

3. Wijziging BTW regels voor leveringen van elektronische diensten, telecomdiensten, en omroepdiensten aan consumenten in het buitenland

 

Leveranciers van telecomdiensten, elektronische diensten en omroepdiensten aan particulieren berekenen de BTW van het land waar de leverancier is gevestigd. Na 1 januari 2015 moet de BTW van het land waar de particuliere koper gevestigd is worden berekend en aldaar afgedragen. Elektronische diensten zijn diensten waarbij weinig menselijk ingrijpen nodig is. Bijvoorbeeld verkoop van een computerprogramma middels downloaden. Vertaalwerkzaamheden voor een particulier horen hier dus niet onder. Om aangifte van een ondernemer die in meerdere EU-landen deze diensten levert te vergemakkelijken is een MOSS aangifte mogelijk. Dan kan gewoon aangifte in Nederland gedaan worden.

 

 

 

 

5. Buitenlands belastingplichtige kan niet meer kiezen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige.

 

Per 1 januari 2015 vervalt voor een buitenlands belastingplichtige de mogelijkheid om als binnenlands belastingplichtige aangifte inkomstenbelasting te doen. Wel kan hij ‘kwalificerende belastingplichtige’ zijn. Dit is hij als hij aan de drie volgende voorwaarden voldoet.

1.Inwoner van EU-lidstaat, EER lidstaat, Zwitserland of BES eilanden

2.Inkomen is voor meer dan 90% aan Nederlandse belasting onderworpen

3.Er is een inkomensverklaring woonstaat (Deze inkomensverklaring zal in de loop van 2015 beschikbaar komen en moet door de woonstaat ingevuld en ondertekend worden, na afloop van 2015).

Een ‘kwalificerende belastingplichtige’ krijgt dezelfde aftrekposten en heffingskortingen als een binnenlands belastingplichtige. (Aftrekposten alleen en voor zover niet al op inkomen in de woonstaat genoten)

De partner van een kwalificerende belastingplichtige moet ook aan de drie voorwaarden voldoen om ‘kwalificerend belastingplichtige’ te zijn. Voldoet de partner zelf niet, dan kan op grond van het feit dat 90% van het gezinsinkomen in Nederland onderhevig is aan belasting, de partner alsnog ‘kwalificerend belastingplichtige’ zijn.

Aangifte wordt nu alleen voor het Nederlands inkomen gedaan, niet meer voor het wereldinkomen.

 

 

6. Aftrekbaarheid rente over restschuld eigen woning.

 

Als U bij verkoop van de eigen woning een restschuld hebt overgehouden, dus wanneer de eigen woning minder opbracht dan de schuld ten behoeve van de eigen woning, dan is de rente over deze schuld nog 15 jaar aftrekbaar in box I. Dit was 10 jaar. Dit geldt voor restschulden ontstaan voor 1 januari 2018

 

 

 

7. Crisismaatregeling mbt te koop staande eigen woning, in aanbouw zijnde woning of herleving hypotheekrenteaftrek eigen woning wordt wetgeving.

 

De rente voor een lening van een te koop staande voormalige eigen woning is maximaal 3 jaar aftrekbaar (na het jaar van in de verkoop brengen). Ook de rente voor financiering van een in aanbouw zijnde eigen woning is 3 jaar. Herleving van aftrek van hypotheekrente eigen woning na verhuur van de woning kan gedurende 3 jaar. De verhuurperiode verlengt de driejaarstermijn niet.

 

 

8. Kindregelingen in 2015.

 

In 2015 vervalt de forfaitaire aftrek voor levensonderhoud voor kinderen. (Nu is er vaak na een scheiding bij een van de ouders een forfaitaire aftrek, omdat er kinderalimentatie aan de verzorgende ouder wordt betaald). Voor het vervallen van deze aftrek is geen compensatie vastgesteld in een andere regeling.

In de berekeningen van de hoogte van reeds lopende alimentaties is meestal rekening gehouden met het belastingvoordeel uit hoofde van aftrek levensonderhoud voor kinderen. Er is niet gekozen voor dwingende aanpassing van deze reeds lopende alimentaties. Eventuele aanpassing dienen partijen zelf te regelen.

 

De ouderschap verlofkorting vervalt en wordt eveneens niet gecompenseerd door een andere regeling.

 

De schoolboeken zijn in 2015 niet meer gratis. Voor 16 en 17 jarige vindt verhoging van het kindgebonden budget tot € 412 plaats.

 

De alleenstaande ouderkorting vervalt, deze wordt gecompenseerd door een toename van het kindgebonden budget.

 

De TOG- regeling (Tegemoetkoming Ouders Gehandicapt kind) vervalt en wordt gecompenseerd met een verhoging van de kinderbijslag voor een gehandicapt kind. (2 maal het normale bedrag )

 

De Kinderbijslag blijft bestaan. Echter deze wordt voor 2015 niet geïndexeerd.

 

De combinatiekorting blijft, evenals de kinderopvangtoeslag.

 

 

 

9. Afkoop lijfrente bij arbeidsongeschiktheid mogelijk.

 

Vanaf 1 januari is het mogelijk lijfrente af te kopen zonder revisie. U moet dan langdurig arbeidsongeschikt zijn, de pensioengerechtigde leeftijd nog niet behaald hebben en de ontvangen afkoopsom moet in box I vallen. Afkoopsom onder de € 40.000 kan zonder meer. Daarboven worden nadere eisen gesteld die afhankelijk zijn van het inkomen en het inkomen van voorgaande jaren.

 

 

 

10. Vervallen ouderenkorting box III per 1 januari 2016.

 

Per 1 januari 2016 vervalt de ouderenkorting in Box III. Dit was een extra verhoging van

 € 27.984 vrijgesteld vermogen voor ouderen met een laag inkomen (maximaal € 19.895).

De ouderenkorting (heffingskorting voor ouderen) gaat in 2016 met € 83 omlaag.

 

 

 

11. Vrijstelling gift aan kind weer naar de oude regeling.

 

De tijdelijke verruiming van de belastingvrije schenking tot € 100.000 ten behoeve van de eigen woning is per 1 januari 2015 niet meer mogelijk. De oude regeling is weer van kracht. U kunt uw kind €5.277 per jaar belastingvrij schenken. (norm 2015). Eenmalig kunt u, als uw kind tussen de 18 en 40 jaar is €25.322 schenken. Dit bedrag kan verhoogd worden tot € 52.752, indien dit gebruikt wordt voor de eigen woning of de financiering van een studie. Het kind moet aangifte doen van deze eenmalig verhoogde schenking.

 

 

 

12. Vervallen keuzeregeling buitenlandse belastingplichtigen met ingang van 2015.

 

Met ingang van 2015 vervalt de keuzeregeling voor de buitenlandse belastingplichtige. Een buitenlands belastingplichtige kon ervoor kiezen om aangeslagen te worden voor de Nederlandse belasting als ware hij Nederlander. (Dit om de aftrekposten, meestal aftrek ivm kosten eigen woning, in mindering te kunnen brengen op het inkomen). Met ingang van 2015 kan dit niet meer. Daarvoor in de plaats komt een nieuwe regeling die lijkt op de huidige 90% regeling voor buitenlands belastingplichtige. Ook dan kunnen de aftrekposten die niet op het buitenlands inkomen in aftrek zijn gebracht op het Nederlands inkomen in mindering gebracht worden. Om hiervoor in aanmerking te komen moet 90% van het inkomen onder de Nederlandse IB, cq LH vallen. En wil de partner van de buitenlandse belastingplichtige zich ook als fiscaal partner kwalificeren dan moet het totale gezinsinkomen voor 90% in Nederland onder de IB cq LH vallen.

 

 

 

 

13. Verkorting uitkeringsduur WW uitkering per 1 januari 2016

 

De uitkeringsduur van de WW wordt geleidelijk teruggebracht van maximaal 38 maanden naar maximaal 24 maanden. Vanaf 1 januari 2016 tot 1 juli 2019 met 1 maand per kwartaal. Wel kan deze door de werkgever (soms door de CAO) nog 14 maanden aangevuld worden.

De duur van de uitkering wordt bepaald door het arbeidsverleden. Vanaf 1 januari 2016 bouw je 1 maand per gewerkt jaar op in de eerste 10 jaar, daarna nog een halve maand per gewerkt jaar. (Dit was 1 maand per gewerkt jaar vanaf 1998 verhoogd met 1 maand per jaar dat iemand ouder was dan 18 jaar tot aan 1998) Het opgebouwde arbeidsverleden per 1 januari 2016 blijft gerespecteerd.

 

 

14. Aanpassing ontslagrecht, Ontslagvergoeding wordt transitievergoeding per 1 juli 2015

 

Het ontslagrecht wordt aangepast per 1 juli 2015. Ontslagaanvragen wegens economische omstandigheden en wegens langdurige ziekte en arbeidsongeschiktheid moeten verplicht via het UWV worden aangevraagd. Een ontslagaanvraag wegens persoonlijke redenen, disfunctioneren, verstoorde arbeidsverhouding of verschil van inzicht loopt verplicht via de kantonrechter.

Er wordt een transitievergoeding vastgesteld, tenzij werknemer zelf ontslag neemt. Na twee jaar arbeidsverleden. (Dus ook voor flexcontracten). Deze bedraagt 1/3 maandsalaris per gewerkt jaar voor de eerste 10 jaar, daarna ½ maandsalaris per gewerkt jaar. Bij een werknemer ouder dan 50 jaar die bij een werkgever werkt met meer dan 25 werknemers, wordt dit na het 10de jaar 1 maand per dienstjaar. Scholingsuitgaven kunnen in mindering komen op deze transitie vergoeding. Er geldt een maximum van € 75.000 of 1 jaarsalaris als dit hoger is dan € 75.000. De kantonrechter kan in positieve en in negatieve zin afwijken van de aldus berekende hoogte van de transitievergoeding.

 

 

 

15. Beperking mogelijkheid van opvolgende flexcontracten tot 2 jaar per 1 juli 2015

 

Met ingang 1 juli 2015 kan nog maar voor een periode van 2 jaar opvolgende flexcontracten worden aangegaan. (Dit was 3 jaar). Maximaal 3 flexcontracten. Opvolgend als de onderbreking tussen de contracten korter is dan 6 maanden. (was 3 maanden). In negatieve zin afwijken hiervan met de CAO is niet mogelijk. Deze beperking geldt niet voor werknemers jonger dan 18 jaar die minder dan 12 uur per week een contract hebben.

 

 

 

16. Verplichte toepassing van de werkkostenregeling per 1 januari 2015

 

Met ingang van 2015 is toepassing van de werkkostenregeling verplicht.

De vrije ruimte voor onbelaste vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers is voor 2015 beperkt tot 1,2 % van het totaal fiscaal loon. Voor bepaalde vergoedingen bestaan gerichte vrijstellingen. Op de site van de belastingdienst www.belastingdienst.nl is een uitgebreide uitleg gegeven over de regeling.

Met ingang van 1 januari zijn vergoedingen voor gereedschappen, computers, mobiele communicatieapparatuur en dergelijke vrijgesteld, indien ze nodig zijn voor de werknemer. Kortingen op eigen product zijn (onder voorwaarden) ook vrijgesteld. Er is geen

onderscheid meer voor verstrekken, cq. vergoeding, cq. ter beschikking stellen, van voorzieningen op de werkplek, (denk hierbij aan bureaus, bureaustoelen enz.), dit is vrijgesteld. En u hoeft nu slechts een maal per jaar een berekening te maken van deze vrije ruimte, en in hoeverre de vrije ruimte is ingevuld. Gaan de bestedingen boven deze 1,2 % uit dan is 80% eindheffing verschuldigd. (Er bestaat altijd de mogelijkheid om een vergoeding als loon te bestempelen, dan valt deze niet in de vrije ruimte maar wordt deze verloond voor betreffende werknemer)

 

 

 

17. Gebruikelijk loon van een DGA

 

Vanaf 1 januari 2015 bedraagt het gebruikelijk loon van een DGA de hoogste van de volgende 3:

1. 75% van het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking. (was 70% van een soortgelijke dienstbetrekking).

2. Loon van de meest verdienende werknemer.

3. 44.000 Euro

Er geldt echter een uitzondering: Als het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking minder bedraagt dan € 44.000, dan dit loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekkig (100%).

 

 

19. Beperking opbouw pensioen.

 

Het opbouwpercentage bij eindloonstelsel is maximaal 1,657 procent per opbouwjaar (was 1,9), bij middelloon 1,875 (was 2.15). Maximum pensioengevend loon wordt beperkt tot maximaal

€ 100.000. Pensioenovereenkomsten moeten dus mogelijk aangepast worden.

 

 Als je dus in het verleden met het middelloonstelsel bijvoorbeeld 35 jaar € 40.000 loon ontving, dan had je 40 x 2.15% x € 40.000 dus € 30.100 pensioen per jaar opgebouwd.

Dit wordt dan 35 x 1,875 x € 40.000 dus € 26.150. (Als al deze opbouwjaren liggen na 1 januari 2015).

 

 

 

 

Navolgende gepubliceert: Januari 2014

 

 

 

3. Aftrek specifieke zorgkosten.

 

Er vindt een verdere beperking plaats voor het aftrekken van specifieke zorgkosten. In 2014 zijn uitgaven voor scootmobiel, rolstoel en aanpassing aan het huis niet meer aftrekbaar. (brillen ooglaserbehandelingen, contactlenzen en rollators waren al niet meer aftrekbaar). Voor uitgaven voor aanpassing aan het huis kan mogelijk wel een WMO- vergoeding worden gekregen.

 

 

 

10. Vastlegging periodieke giften.

 

Voor de aftrekbaarheid van periodieke giften is geen drempel. Voorwaarde was dat een periodieke gift contractueel door de notaris in een akte was opgesteld. Met ingang van 2014 kan dit ook met een onderhandse akte. Wel moet deze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Aan deze akten wordt door de belastingdienst een uniek nummer toegekend. (Dus registreren!) Een voorbeeld van zo’n akte zal door de belastingdienst in de loop van 2014 op haar site worden gezet.

 

 

11. Vervallen keuzeregeling buitenlandse belastingplichtingen miv 2015.

 

Met ingang van 2015 vervalt de keuzeregeling voor de buitenlands belastingplichtige. Een buitenlands belastingplichtige kon ervoor kiezen om aangeslagen te worden voor de Nederlandse belasting als ware hij Nederlander. (Dit om de aftrekposten, meestal aftrek ivm kosten eigen woning,  in mindering te kunnen brengen op het inkomen).  Met ingang van 2015 kan dit niet meer. Daarvoor in de plaats komt een nieuwe regeling die lijkt op de huidige 90% regeling voor buitenlands belastingplichtige.Ook dan kunnen de aftrekposten die niet op het buitenlands inkomen in aftrek zijn gebracht op het nederlands inkomen in mindering gebracht worden. Om hiervoor in aanmerking te komen moet 90% van het inkomen onder de nederlanse IB, cq LH vallen. En wil de partner van de buitenlands belastingplichtige zich ook als fiscaal partner kwalificeren dan moet het totale gezinsinkomen voor 90% in Nederland onder de IB cq LH vallen.

 

 

 

14. Onderwijsvrijstelling BTW en inschrijving bij het CRBK.

 

Met ingang van 2014 kent het CRBK twee registers. Het instellingen register en het docentenregister. Dit is met name van belang om te weten of het geven van onderwijs ja of nee (verplicht) vrijgesteld is van BTW.

 

Geven van onderwijs bij rijksonderwijsinstellingen, basisonderwijs voorgezet onderwijs en taalonderwijs is altijd verplicht vrijgesteld van BTW. Daarnaast is ook geven van algemeen vormend onderwijs, (bijvoorbeeld moedermavo, dus aansluitend op algemeen erkend onderwijs) en bijlessen voor rijksonderwijs en algemeen vormend onderwijs verplicht vrijgesteld van BTW. Beeldende vorming, muziek en cultureel onderwijs aan jongeren tot 21 jaar is ook verplicht vrijgesteld. 

Onderwijs voor  reguliere beroepsonleidingen (bijv HBO, universiteit) geldt een verplichte vrijstelling.

 

Voor het geven van ander beroepsonderwijs is al dan niet inschrijving in de registers van het CRBK van belang. (Beroepsopleiding is bijvoorbeeld opleiding tot accountant en alle aanvullende opleidingen en nascholingen hiervoor). Ben je als docent ingeschreven en geef je beroepsopleiding voor een instituut dat opleidingen verzorgt voor bijvoorbeeld accountants dan val je verplicht onder de BTW vrijstelling. Ben je niet als docent ingeschreven dan dien je omzetbelasting te berekenen.

 

Ben je wel als docent ingeschreven bij het CRBK, maar verzorg je geheel zelfstandig nascholingen voor accountants, dan moet je ook omzetbelasting berekenen. Als je voor deze nascholing als opleidingsinstituut staat geregistreerd bij het CBRK dan val je als instituut onder de vrijstellingsregeling.

 

 

15. Stamrechtvrijstelling.

 

Met ingang van 2014 is het niet meer mogelijk om een ontslagvergoeding fiscaal vriendelijk uitgekeerd te krijgen middels gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling door stalling van de gelden op een bankspaarproduct, bij een verzekeringsmaatschappij of bij een eigen BV.

 

De in het verleden uitgekeerde ontslagvergoedingen die waren gestald bij eigen BV’s, bankspaarproducten of verzekeringsmaatschappijen kunnen in en daarna 2014 fiscaalvriendelijk geheel worden opgenomen. Per stamrechtcontract. Over de algehele opname is geen revisierente meer verschuldigd.

Indien het stamrecht geheel in 2014 wordt opgenomen is over 80% hiervan belasting in Box I verschuldigd. (Denk er wel aan dat banken of verzekeringsmaatschappijen mogelijk boeten berekenen over de te  vroeg opgenomen gelden. Deze boete is aftrekbaar). Er moeten wel voldoende liquide middelen zijn en het stamrechtcontract moest voor 15 november 2013 betaald zijn aan de eigen BV, bankspaarproduct of verzekeringsmaatschappij.

Of dit uberhaupt voordelig zal zijn hangt af van het inkomen en de hoogte van het stamrecht.

 

 

16. Eigen bijdrage bij opname in verzorgingshuis of psychiatrische inrichting

 

Wanneer u of uw partner in een verzorgingshuis of psychiatrische inrichting wordt opgenomen bent u een eigen bijdrage verschuldigt die afhankelijk is van inkomen én vermogen.

Wanneer het verblijf tijdelijk is of wanneer slechts een van de twee partners moet worden verzorgt is de lage eigen bijdrage verschuldigt. In 2014 ligt deze tussen de €184 en €819,40 per maand. De hoge eigen bijdrage bij permanente opname, kan oplopen tot maximaal

€2.248,60 per maand. De eerste 6 maanden geldt altijd de lage eigen bijdrage. Bij de berekening van de eigen bijdrage wordt al het inkomen meegenomen, dus ook het inkomen box III (4% vermogensinkomen). Daarnaast wordt nog eens 8% van dit vermogen in Box III bijgeteld. Vermogen in de onderneming, of in de eigen BV, zit in box I of box II en telt niet mee voor deze 8% bijtelling. Grondslag is vermogen box III, dus na aftrek van vrijgesteld vermogen ad € 21.139 pp.  Bij pensioengerechtigden geldt nu nog (2014) dat bij een laag inkomen (lager dan € 19.895 pp) een extra vrijstelling van vermogen (ouderentoeslag € 13.992 of € 27.984) in mindering gaat. Vrijgesteld vermogen bij 2 pensioengerechtigde partners dus maximaal € 98.246. (In 2016 is deze toeslag verdwenen). Voor niet pensioengerechtigden geldt in 2014 een extra  korting van € 10.000 (pp) op de grondslag. Het inkomen en vermogen van 2 jaar geleden geldt als uitgangspunt, maar  kan na bezwaar worden aangepast aan het huidig inkomen.

De eigen woning zit in box I en verhuist indien u of uw partner daar niet meer verblijft op den duur naar box III. U hebt 2 jaar de tijd om te verkopen. (2014 ivm crisis tijdelijk 3 jaar). Tesamen met het feit dat inkomen en vermogen van 2 jaar geleden wordt genomen is de eigen woning langere tijd buiten beeld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Copyright Henriette van Dijk Belastingen en Administraties © All Rights Reserved